LS&R 1871

Wrakingsverzoek octrooizaak afgewezen

Rechtbank Den Haag 31 augustus 2020, IEF 19498, LS&R 1871; ECLI:NL:RBDHA:2020:10143 (Wyeth tegen rechters) Wraking. Octrooirecht. Verzoek tot wraking van rechters Kokke, Aalbers en Schüller bij de rechtbank Den Haag. Het betreft een octrooizaak in het VRO-regime. Belanghebbende in deze procedure is MSD. Wyeth vindt de rechters vooringenomen omdat zij de verzoeken om (1) de zaak uit het VRO-regime te verwijderen, (2) de pleittijd te verlengen en (3) de stukken van MSD te weigeren, (vooralsnog) hebben afgewezen. Naar het oordeel van de wrakingskamer zijn al deze beslissingen procedurele beslissingen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig geen grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Dit is uitsluitend anders, indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten, niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Hetgeen Wyeth in dit verband in zijn wrakingsverzoek heeft gesteld, levert geen aanwijzingen op die tot dat oordeel zouden moeten leiden. De motivering bij de beslissingen is niet onbegrijpelijk en dus ook niet zozeer onbegrijpelijk dat daaruit de vooringenomenheid van de rechters blijkt. Uit de aangevoerde omstandigheden kan geen (schijn van) vooringenomenheid worden afgeleiden. Het wrakingsverzoek wordt dan ook afgewezen.

3.7. Verzoeker heeft aangevoerd dat er in twee eerdere zaken is besloten de zaak wel uit het VRO-regime te halen, dan wel partijen in overweging is gegeven te komen tot een alternatieve oplossing. Het (enkele) feit dat er in twee eerdere octrooizaken waarop het VRO-regime van toepassing was, anders is beslist dan de rechters in deze zaak hebben gedaan, leidt niet tot de conclusie dat de motivering van de beslissingen van de rechters volgens het hiervoor verwoorde toetsingscriterium niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van deze rechters. De beslissingen van de rechters zijn in deze zaak, in de gegeven omstandigheden, genomen. De rechtbank heeft daarbij wat betreft de derde beslissing bovendien aangegeven pas definitieve beslissingen te zullen nemen na grondige kennisname van het dossier. Deze procedurele gang van zaken is overigens in VRO-procedures niet ongebruikelijk en daaruit blijkt geen vooringenomenheid.

3.8. Ook uit de overige door verzoeker naar voren gebrachte omstandigheden, die los staan van de motivering van de procedurele beslissingen, zoals het verzoek om het juiste dossiernummer te vermelden in correspondentie en voor e-mail gebruik te maken van Zivver, kan niet de (schijn) van vooringenomenheid van de rechters worden gezien.

3.9. Verzoeker heeft tot slot aangevoerd dat de woordkeuze ‘monopolist’ in plaats van octrooihouder in de reactie op het wrakingsverzoek de vooringenomenheid van de rechters bevestigt. Kennelijk heeft het woord monopolist voor verzoeker een negatieve lading. Dat neemt niet weg dat een octrooihouder feitelijk een monopolist is en alleen al hierom in die woordkeuze - die overigens niet in de beslissing stond die grond vormde voor wraking - geen bevestiging kan worden gelezen van de aangevoerde vooringenomenheid van de rechters.

3.10. De rechtbank is van oordeel dat uit de aangevoerde omstandigheden geen (schijn van) vooringenomenheid kan worden afgeleid. Het wrakingsverzoek wordt dan ook afgewezen.