Gepubliceerd op maandag 2 november 2026
LS&R 2485
Rechtbank Den Haag ||
26 mrt 2026,
Rechtbank Den Haag 26 mrt 2026,, LS&R 2485; ECLI:NL:RBDHA:2026:6584 (Inter-Psy tegen Zilveren Kruis), https://www.lsenr.nl/artikelen/zilveren-kruis-onderbouwt-handhaving-lager-omzetplafond-ggz-aanbieder-onvoldoende-maar-vorderingen-afgewezen

Zilveren Kruis onderbouwt handhaving lager omzetplafond ggz-aanbieder onvoldoende, maar vorderingen afgewezen

Rb. Den Haag 26 maart 2026, LS&R 2485; ECLI:NL:RBDHA:2026:6584 (Inter-Psy tegen Zilveren Kruis). Inter-Psy B.V., aanbieder van (gespecialiseerde) geestelijke gezondheidszorg, is een kort geding gestart tegen Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V. en drie andere zorgverzekeraars over de verlaging van haar omzetplafond voor 2025 en 2026. Het omzetplafond voor 2025 werd ten opzichte van 2024 met ongeveer € 1,3 miljoen verlaagd. Zilveren Kruis baseerde deze verlaging onder meer op onderproductie en een geschil over de terugbetaling van zorggelden door een aan Inter-Psy gelieerde vennootschap. Inter-Psy heeft de overeenkomst onder protest ondertekend en later verzocht om verhoging van het omzetplafond, maar dit verzoek werd slechts gedeeltelijk gehonoreerd. Volgens Inter-Psy heeft de verlaging ernstige financiële gevolgen en beperkt deze haar mogelijkheden om patiënten te behandelen, terwijl in de geestelijke gezondheidszorg lange wachtlijsten bestaan. Zij vordert daarom onder meer vergoeding van de in 2025 boven het omzetplafond geleverde zorg en aanpassing van het omzetplafond voor 2026. Inter-Psy stelt dat Zilveren Kruis in strijd handelt met haar zorgplicht en de redelijkheid en billijkheid.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat zorgverzekeraars bij de inkoop van zorg in beginsel contracteervrijheid hebben, maar daarbij voldoende rekening moeten houden met de gerechtvaardigde belangen van zorgaanbieders die van hen afhankelijk zijn. Inter-Psy heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij in zekere mate afhankelijk is van Zilveren Kruis. Uit de zorgplicht van artikel 11 Zorgverzekeringswet volgt echter niet zonder meer dat Zilveren Kruis verplicht was om meer zorg bij Inter-Psy in te kopen. De voorzieningenrechter overweegt wel dat de voornaamste opgegeven reden voor de verlaging van het omzetplafond in beginsel wegviel nadat in een eerdere kortgedingprocedure onvoldoende aannemelijk was geworden dat Inter-Psy verplicht was de schuld van een gelieerde vennootschap te voldoen. Zilveren Kruis heeft onvoldoende onderbouwd waarom de verlaging desondanks vrijwel volledig werd gehandhaafd. Ook de gang van zaken rondom de latere overname van Inter-Psy biedt daarvoor niet zonder meer voldoende rechtvaardiging. Volgens de voorzieningenrechter is nader debat nodig om vast te stellen welke verlaging in de gegeven omstandigheden proportioneel zou zijn geweest. Daarvoor leent het kort geding zich niet. Omdat de rechter niet kan bepalen welk hoger omzetplafond gerechtvaardigd zou zijn en evenmin grond ziet om Zilveren Kruis tot volledige vergoeding van alle geleverde zorg te verplichten, wijst hij de vorderingen van Inter-Psy af. Inter-Psy wordt veroordeeld tot betaling van € 11.853 aan proceskosten.

de zorgplicht van artikel 11 Zvw

4.7.

Inter-Psy beroept zich onder meer op de wettelijk plicht van Zilveren Kruis om ervoor te zorgen dat al hun verzekerden in staat zijn aanspraak te maken op (de vergoeding van) die zorg waarop zij zijn aangewezen (artikel 11 Zvw). Zij stelt dat Zilveren Kruis die plicht heeft geschonden met de doorgevoerde verlaging van het omzetplafond. Dat maakt die verlaging volgens haar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Daarbij wijst Inter-Psy erop dat uit de uitspraak van de Hoge Raad van 6 november 20152 volgt dat ook zorgaanbieders een zelfstandig en rechtens te respecteren belang bij naleving van de zorgplicht door de verzekeraar hebben. Met het oog op de taak van zorgverzekeraars om zorg te dragen voor een goed functionerende zorgmarkt, dienen zij voldoende zorg in te kopen bij zorgaanbieders. Volgens Inter-Psy is Zilveren Kruis daarin tekortgeschoten. Zij betoogt dat het gelet op de lange en oplopende wachttijden in de (s)ggz en de mogelijkheden die Inter-Psy heeft om die wachttijden te verkorten onbegrijpelijk is dat Zilveren Kruis het omzetplafond met 1,3 miljoen euro heeft verlaagd (en die verlaging vervolgens heeft gehandhaafd).

4.8.

Zilveren Kruis betwist op zichzelf niet dat zorgaanbieders een rechtens te respecteren belang hebben bij naleving van de wettelijke zorgplicht. Volgens haar vloeit uit die zorgplicht echter niet voort dat iedere overschrijding van een omzetplafond of iedere groeiwens van een specifieke zorgaanbieder moet worden gehonoreerd door bij te contracteren. Zij voert aan dat de zorg die zij in 2025 niet bij Inter-Psy heeft ingekocht, is ingekocht bij andere gecontracteerde zorgaanbieders in de regio. Daarmee heeft zij het budget dat gelet op de kaders waarbinnen zij acteert kan worden uitgegeven aan (s)ggz (door haar ook aangeduid als ‘de taart’) anders verdeeld.

Zilveren Kruis betwist dat uit de lange en oplopende wachttijden in de (s)ggz zonder meer kan worden afgeleid dat zij onvoldoende zorg heeft ingekocht. Zij heeft er in dit verband op gewezen dat zij – samen met zorgaanbieders – niet alleen verantwoordelijk is voor de kwaliteit en de toegankelijkheid van zorg maar ook voor de betaalbaarheid daarvan. Zij kan dus niet zomaar meer zorg in- of bijkopen om wachttijden te verkorten. Nog daargelaten dat het enkel verhogen van de contractering niet automatisch leidt tot kortere wachttijden.

Volgens Zilveren Kruis zijn de door Inter-Psy aangehaalde wachtlijstcijfers ook te algemeen van aard om daaraan conclusies te verbinden, nu daarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende categorieën wachtenden, zoals wachtenden die op korte termijn zorg nodig hebben en wachtenden die uit voorzorg op een wachtlijst worden geplaatst. Bovendien zijn er ook wachtenden die op een wachtlijst staan omdat zij wachten op zorg bij een specifieke locatie of zorgaanbieder (wenswachtenden), aldus Zilveren Kruis.

4.9.

Inter-Psy heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter tegenover deze betwisting onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan aannemelijk kan worden geacht dat Zilveren Kruis op grond van haar zorgplicht gehouden was om in 2025 meer zorg bij Inter-Psy in te kopen. Dat de huidige wachttijden in de (s)ggz, zowel landelijk als regionaal, de maximaal aanvaardbaar geachte wachttijden (de Treeknormen) al jarenlang (ruimschoots) overschrijden, duidt erop dat sprake is van een structureel tekort aan behandelcapaciteit. Daarmee is niet gezegd dat Zilveren Kruis er in 2025 niet voor mocht kiezen om meer zorg bij andere zorgaanbieders in de regio in te kopen en daarmee behandelcapaciteit van Inter-Psy onbenut te laten. Die conclusie is tegen de achtergrond van de verschillende aspecten die een rol spelen bij de inkoop van zorg en de, niet door Inter-Psy bestreden, complexiteit van de wachtlijstproblematiek in de (s)ggz te verstrekkend. Bovendien speelt daarbij een rol of de andere zorgaanbieders voldoende capaciteit hadden om de (extra) zorg die bij hen was ingekocht te verlenen. Of dat zo is vraagt, gelet op de uiteenlopende standpunten van partijen daarover, nader onderzoek en/of nadere bewijslevering. Daarvoor leent de kortgedingprocedure zich niet.