Gepubliceerd op dinsdag 3 november 2026
LS&R 2486
Rechtbank Den Haag ||
4 mrt 2026,
Rechtbank Den Haag 4 mrt 2026,, LS&R 2486; ECLI:NL:RBDHA:2026:5069 (de verzekeraars tegen Sion c.s.), https://www.lsenr.nl/artikelen/zorgaanbieder-en-oud-bestuurders-en-commissarissen-hoofdelijk-aansprakelijk-voor-bijna-3-miljoen-aan-zorgdeclaraties

Zorgaanbieder en (oud)bestuurders en -commissarissen hoofdelijk aansprakelijk voor bijna € 3 miljoen aan zorgdeclaraties

Rb. Den Haag 4 maart 2026, LS&R 2486; ECLI:NL:RBDHA:2026:5069 (de verzekeraars tegen Sion c.s.). Vier zorgverzekeraars, waaronder Zilveren Kruis, vorderen terugbetaling van ruim € 4,1 miljoen aan zorgdeclaraties die Sion Zorg B.V. over 2017 heeft ingediend voor wijkverpleging. De verzekeraars hebben deze declaraties betaald op grond van een betaalovereenkomst, maar constateerden bij een risicoanalyse dat Sion 3,4 keer zoveel declareerde als het landelijke gemiddelde en voor ruim € 25.000 aan dubbele prestaties had gedeclareerd. De verzekeraars wilden daarom met een materiële controle vaststellen of de gedeclareerde zorg daadwerkelijk was geleverd en voor vergoeding in aanmerking kwam. Sion werkte onvoldoende mee aan dit onderzoek en verstrekte niet de benodigde informatie over haar administratie, onderaannemers en zorgdeclaraties. De verzekeraars stellen zich daarom op het standpunt dat zij de declaraties onverschuldigd hebben betaald. Zij spreken niet alleen Sion aan, maar ook twee (oud)bestuurders en twee voormalige commissarissen, omdat hun volgens de verzekeraars persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van de gang van zaken binnen de zorgorganisatie.

De rechtbank oordeelt dat Sion op grond van de betaalovereenkomst en de toepasselijke wettelijke regelgeving verplicht was mee te werken aan de materiële controle. Door onvoldoende informatie te verstrekken, is Sion tekortgeschoten in haar contractuele en wettelijke verplichtingen, waardoor niet kon worden vastgesteld in hoeverre de gedeclareerde zorg daadwerkelijk en terecht was geleverd. Ook de twee (oud)bestuurders en twee voormalige commissarissen zijn volgens de rechtbank persoonlijk aansprakelijk. De bestuurders hebben onvoldoende toegezien op de juistheid en rechtmatigheid van de declaraties en niet gezorgd voor de vereiste verantwoording, terwijl de commissarissen hun toezichthoudende taak ernstig hebben verwaarloosd. De rechtbank acht onvoldoende onderbouwd dat alle declaraties onverschuldigd zijn betaald, maar oordeelt dat ervan moet worden uitgegaan dat Sion over 2017 te veel heeft gedeclareerd. Omdat Sion geen inzicht heeft gegeven in welke zorg voor vergoeding in aanmerking kwam, accepteert de rechtbank de door de verzekeraars gemaakte schatting op basis van het landelijke gemiddelde. Sion wordt uit hoofde van onverschuldigde betaling en de (oud)bestuurders en -commissarissen uit hoofde van onrechtmatige daad hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 2.924.942,99 aan de verzekeraars, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 22 april 2025. Daarnaast worden zij hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 16.912,25 aan proceskosten.

5.10.

Met het voorgaande hebben de verzekeraars naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de toepasselijke wet- en regelgeving. Om voldoende zekerheid te verkrijgen als bedoeld in artikel 7.5 lid 1 Rzv stond het de verzekeraars op grond van de toepasselijke regelgeving vrij Sion vragen te stellen. Met de verzekeraars is de rechtbank van oordeel dat de door Sion aangevoerde verklaringen over de door haar ingediende declaraties in 2017, voor zover die wezenlijk zijn gegeven, niet bevredigend waren ter verklaring van het afwijkende declaratiegedrag. Daarvoor is het volgende relevant.

5.11.

Omdat er voor de verzekeraars een concrete aanleiding was voor het instellen van een materieel onderzoek, waren zij zonder meer gerechtigd nadere informatie op te vragen bij Sion. Het lag dan ook op de weg van Sion om (inhoudelijk) te reageren op de bevindingen van de verzekeraars en het afwijkende declaratiegedrag te verklaren. Zij is daartoe meermaals in de gelegenheid gesteld, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Sion heeft immers niet voorafgaand aan het procesgesprek de opgevraagde AO/IC verstrekt, heeft tijdens het procesgesprek geen afdoende antwoord gegeven op de vragen van de verzekeraars en heeft daarna niet inhoudelijk gereageerd op de bevindingen van de verzekeraars of ook maar een begin van inzicht in de achtergrond van haar declaraties gegeven. Al met al heeft Sion niet veel meer naar voren gebracht dan dat een vraag naar alle onderaannemers volgens haar niet relevant, althans niet gericht en zodoende niet gerechtvaardigd is. Met dit standpunt miskent Sion echter dat het aan de verzekeraars is om uitvoering te geven aan hun wettelijke taak en hun onderzoek in te richten zoals zij dat plegen te doen. Het standpunt van Sion gaat ook voor het overige niet op, omdat uit het Controleplan blijkt waar het materiële onderzoek op ziet en omdat de verzekeraars naar aanleiding van de toelichting van Bestuurder 1 (r.o. 3.11) hebben gevraagd om een overzicht van de onderaannemers en de door hen gedeclareerde zorg per verzekerde, zodat hun onderzoek zich kon richten op bepaalde zorgverleners.

5.12.

Het betoog van Sion dat haar niet te verwijten valt dat zij niet volledig heeft meegewerkt aan het materiële onderzoek omdat zij is gestuit op praktische belemmeringen zoals het vertrek van Bestuurder 2 en het niet kunnen verkrijgen van toegang tot relevante digitale bestanden waarin de onderaannemers hun prestaties hebben verantwoord, slaagt niet. Uit niets blijkt dat Sion werkelijk heeft willen meewerken aan het onderzoek van de verzekeraars. Sion heeft immers steeds niet inhoudelijk gereageerd op de berichten van de verzekeraars, ook niet nadat zij daarvoor een laatste kans had gekregen en zelfs niet nadat duidelijk werd dat haar mogelijk een zeer aanzienlijke vordering van € 4.143.669,24 boven het hoofd hing. Dat er in het geheel geen toegang was tot (relevante) informatie is ook niet aannemelijk. Per slot van rekening heeft de IGJ in 2023 wel inzage gehad in zorgdossiers en beleidsdocumenten en gesproken met onderaannemers en cliënten van Sion die de IGJ van informatie hebben voorzien (r.o. 3.21). Uit de correspondentie tussen Sion en de verzekeraars blijkt dat de verzekeraars zich in de periode na het bezoek van de IGJ, aan wie Sion inmiddels informatie had verschaft, wederom bereidwillig hebben getoond (r.o. 3.24), maar ook dat heeft Sion c.s. er niet toe kunnen bewegen om ook maar iets van informatie te verstrekken. Dat Sion haar 63 onderaannemers en DinZ heeft aangeschreven met het verzoek haar te helpen bij het vergaren van de door de verzekeraars verlangde informatie, zoals Sion heeft aangevoerd, blijkt ook niet uit het dossier. Sion c.s. heeft geen afschriften overgelegd van deze berichten of de reacties die hierop zouden zijn ontvangen. Kortom, ook in deze procedure blijven antwoorden van de zijde van Sion achterwege en biedt zij geen enkel inzicht in (de rechtmatigheid van) de door haar gedeclareerde zorg over 2017.

5.13.

Bij deze stand van zaken kan tot geen andere conclusie worden gekomen dan dat de verzekeraars terecht het standpunt hebben ingenomen dat zij vanwege het ontbreken van medewerking van Sion niet hebben kunnen vaststellen dat de over 2017 gedeclareerde (en uitbetaalde) zorg feitelijk en terecht is geleverd. De verzekeraars hebben Sion c.s. in gebreke gesteld en een redelijke termijn gegeven om alsnog haar verplichtingen na te komen. Hieraan is geen gehoor gegeven.