Gepubliceerd op woensdag 26 augustus 2026
LS&R 2451
Rechtbank Gelderland ||
12 jun 2026,
Rechtbank Gelderland 12 jun 2026,, LS&R 2451; ECLI:NL:RBGEL:2026:5964 ([de verzoeker] tegen de huisartsenpraktijk), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/zwaarwegend-belang-rechtvaardigt-inzage-vader-in-medisch-dossier-overleden-dochter

Zwaarwegend belang rechtvaardigt inzage vader in medisch dossier overleden dochter

Rb. Gelderland 12 juni 2026, LS&R 2451; ECLI:NL:RBGEL:2026:5964 ([de verzoeker] tegen de huisartsenpraktijk). De rechtbank oordeelt dat de vader van een in 2022 door suïcide overleden 17-jarige op grond van artikel 7:458a lid 1 onder c BW recht heeft op inzage in een deel van haar medisch dossier. Hoewel het medisch beroepsgeheim ook na het overlijden van een patiënt blijft gelden, kan dit worden doorbroken wanneer de verzoeker een zwaarwegend belang heeft, aannemelijk maakt dat dit belang door geheimhouding mogelijk wordt geschaad en inzage noodzakelijk is voor de behartiging daarvan. Volgens de rechtbank heeft de vader voldoende aannemelijk gemaakt dat er concrete aanknopingspunten bestaan voor een mogelijk tekortschieten van de huisartsenpraktijk. Daarbij betrekt de rechtbank onder meer dat de dochter kampte met complexe psychische en verslavingsproblematiek, in de periode voorafgaand aan haar overlijden herhaaldelijk samen met jongerenwerkers de huisarts bezocht en dat het uiteindelijk vijf maanden duurde voordat een afspraak met de praktijkondersteuner jeugd plaatsvond. Ook het rapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd laat volgens de rechtbank reële vragen open over de verleende zorg, waaronder de samenwerking en regie, de dossiervoering, de inschatting van de psychische problematiek en het voortbouwen op reeds bekende informatie. In deze procedure hoeft niet vast te staan dat de huisartsenpraktijk daadwerkelijk is tekortgeschoten; beslissend is dat het vermoeden van een mogelijk tekortschieten voldoende aannemelijk is gemaakt. Het medisch dossier is noodzakelijk om duidelijkheid te verkrijgen over welke signalen wanneer met de huisartsenpraktijk zijn gedeeld en hoe daarop vervolgens is gereageerd.

Dat de dochter tijdens haar leven niet wilde dat haar ouders over haar actuele medische situatie en huisartsbezoeken werden geïnformeerd, staat volgens de rechtbank niet aan inzage na haar overlijden in de weg. Voor toepassing van artikel 7:458a lid 4 BW moet sprake zijn van een uitdrukkelijke wilsuiting van de patiënt die schriftelijk of elektronisch is vastgelegd en die gericht of mede gericht is op het niet verstrekken van dossiergegevens na overlijden. Van een dergelijke wilsuiting was hier geen sprake. Ook hoefde de vader niet eerst gebruik te maken van de in artikel 7:458b BW opgenomen mogelijkheid om het dossier door een onafhankelijke arts te laten beoordelen; die regeling biedt volgens de rechtbank een aanvullende voorziening en vormt geen verplichte voorprocedure. Op grond van artikel 7:458a lid 3 BW wordt de inzage beperkt tot de gegevens uit de periode maart 2019 tot en met het overlijden in 2022 die verband houden met de psychische gesteldheid en/of suïcide van de dochter. Daarnaast wijst de rechtbank het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor op grond van artikel 196 Rv toe, zodat de betrokken huisartsen en praktijkondersteuner jeugd kunnen worden gehoord over onder meer de bezoeken aan de huisartsenpraktijk, de onderlinge afstemming en de verleende ondersteuning. Het medisch beroepsgeheim vormt geen grond om het getuigenverhoor als zodanig af te wijzen; de vraag of een getuige zich op een verschoningsrecht kan beroepen, wordt pas in aanloop naar of tijdens het verhoor beoordeeld.

4.14.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de verzoeker] ook aannemelijk gemaakt dat inzage in het medisch dossier van [de dochter] noodzakelijk is voor de behartiging van zijn belang en kan aan dit belang niet op een minder belastende wijze worden tegemoetgekomen. Alle vragen die [de verzoeker] beantwoord wil zien over de beoordeling van de psychische gesteldheid van [de dochter] houden immers verband met welke signalen wanneer met de huisartsenpraktijk zijn gedeeld en de wijze waarop de huisartsenpraktijk vervolgens met die informatie is omgegaan. Die informatie volgt, anders dan de huisartsenpraktijk stelt, niet, althans onvoldoende uit het inspectierapport. Het medisch dossier van [de dochter] is een belangrijke informatiebron die daarover duidelijkheid kan verschaffen.

4.15.

Wat partijen in het kader van het zwaarwegend belang over en weer verder nog hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel en blijft daarom verder buiten bespreking.

4.16.

De slotsom is dat [de verzoeker] aannemelijk heeft gemaakt dat hij een zwaarwegend belang heeft bij inzage in het medisch dossier van [de dochter] , dat dit belang door de weigering van de huisartsenpraktijk om inzage te geven mogelijk wordt geschaad en dat inzage in het dossier noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang. Het inzageverzoek is dan ook op grond van artikel 7:458a lid 1 sub c BW, met onderstaande beperking, toewijsbaar.

De andere mogelijkheid voor doorbreking van het medisch beroepsgeheim, te weten artikel 7:458a lid 1 sub b BW, behoeft dan ook niet meer te worden besproken. Dit betekent dat in het midden kan blijven of [de verzoeker] , een nabestaande in de zin van artikel 1 Wkkgz, een mededeling over een incident op grond van artikel 10 lid 3 Wkkgz heeft gekregen.