Overig

LS&R 1493

Vragen aan het HvJEU over definitie pruimstabakproducten in het licht van richtlijn 2014/40/EU

Hof van Justitie EU 11 jul 2017, LS&R 1493; C-425/17 (Pruimtabaksproducten), http://www.lsenr.nl/artikelen/vragen-aan-het-hvjeu-over-definitie-pruimstabakproducten-in-het-licht-van-richtlijn-2014-40-eu

Prejudicieel gestelde vragen aan HvJ 11 juli 2017, LS&R 1493; C-425/17 (pruimtabaksproducten) Volksgezondheid. Via Minbuza: Verzoekster (Günter Hartmann Tabakvertrieb) komt op tegen de door verweerster (Stadt Kempen) ingestelde verkoopverboden voor twee door haar op de Duitse markt verkochte tabaksproducten. De Beierse overheidsinstantie voor gezondheid en voedselveiligheid (hierna: LGL) heeft monsters van deze beide producten afgekeurd. In zijn advies kwam LGL tot de conclusie dat het op grond van de structuur, consistentie en wijze van gebruik een verboden tabaksproduct betreft, aangezien het bestemd is voor een andere oraal gebruik dan roken of pruimen. Bij beschikkingen van respectievelijk 13 oktober 2014 en 15 januari 2015 heeft verweerster verzoekster verplicht de litigieuze tabaksproducten niet langer in de handel te brengen. De bestuursrechter in eerste aanleg waarbij hiertegen beroep was ingesteld, heeft de beschikking met betrekking tot het eerste product ‘Thunder Chewing Tobacco’ – waarbij het gaat om een pasta-achtige massa op basis van fijngemalen tabak – nietig verklaard, op grond dat het product bestemd is om te worden gepruimd en derhalve in de handel mag worden gebracht. Met betrekking tot het tweede product ‘Thunder Frosted Chewing Bags’ – waarbij in kleine, poreuze builtjes van cellulose verpakte fijngesneden tabak wordt gepruimd, heeft de bestuursrechter dat beroep daarentegen afgewezen. Of een product is bestemd om te worden gepruimd, moet uit het product zelf blijken. Het volstaat niet dat het pas geschikt is om te worden gepruimd door een aanbiedingsvorm – namelijk in builtjes verpakt – die losstaat van het eigenlijke tabaksproduct. Tegen deze beslissingen heeft verzoekster respectievelijk verweerster hoger beroep ingesteld bij de hoogste bestuursrechter van de deelstaat Beieren. 

LS&R 1491

Maker van module alternatieve geneeswijzen slaagt niet in bewijsopdracht omtrent onrechtmatig profiteren van wanprestatie

Hof Amsterdam 30 mei 2017, LS&R 1491; ECLI:NL:GHAMS:2017:2039 (Module alternatieve geneeswijze), http://www.lsenr.nl/artikelen/maker-van-module-alternatieve-geneeswijzen-slaagt-niet-in-bewijsopdracht-omtrent-onrechtmatig-profit

Hof Amsterdam 30 mei 2017, IEF 17047; LS&R 1491; ECLI:NL:GHAMS:2017:2039 (module alternatieve geneeswijze) Auteursrecht. Zie eerder [IEF 16240]. Er komt geen auteursrechtelijke bescherming toe aan de module van alternatieve geneeswijzen, bestaande uit een ordening van aandoeningen, therapieën en toe te passen middelen inzake alternatieve geneeswijzen. Bewijsopdracht voor appellante omtrent het onrechtmatig profiteren van wanprestatie door geïntimeerden. Afgelegde getuigenverklaringen, waaronder verklaringen van horen zeggen, vormen geen geslaagd bewijs. Er is onvoldoende bewijs geleverd dat de importeur van Asyra de onjuiste indruk heeft gewekt dat de IDT-module bij het Asyra apparaat gratis beschikbaar is en aldus gebruik heeft gemaakt van de populariteit van de IDT-module. Bekrachtiging vonnis. 

LS&R 1489

Gestelde vragen aan HvJ EU: leidt de verplichting van neutrale sigarettenpakjes tot inbreuk op het eigendomsrecht, de vrijheden van meningsuiting en ondernemerschap en het evenredigheidsbeginsel? 

Hof van Justitie EU 19 mei 2017, LS&R 1489; (neutraal sigarettenpakje), http://www.lsenr.nl/artikelen/gestelde-vragen-aan-hvj-eu-leidt-de-verplichting-van-neutrale-sigarettenpakjes-tot-inbreuk-op-het-ei

HvJ EU 19 mei 2017, RB 2942; LS&R 1489; C-288/17 (neutraal sigarettenpakje) Via Minbuza: Bij de Conseil d’État (hoogste bestuursrechter) zijn vijf beroepen ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van 19 mei 2016 tot omzetting van richtlijn 2014/40/EU (hierna: de richtlijn). Dit besluit herschikt bepalingen van de Franse wetboek volksgezondheid met betrekking tot het vereiste van het “neutrale pakje”. Daarnaast zet dat besluit artikel 13 van de richtlijn in nationaal recht om waar het met name het gebruik verbiedt van merken die tabak aanprijzen/aanmoedigen. In een uitvoeringsbesluit moet worden vastgesteld welke elementen of kenmerken verboden zijn. Twee verzoeksters (SEITA en BAT France) stellen dat de wetgever inbreuk maakt op hun merkrechten, die zij op één lijn stellen met eigendomsrechten, en op de vrijheden van ondernemerschap en van meningsuiting. De Conseil d’État stelt het Hof bijgevolg vragen over de draagwijdte van de betrokken bepalingen van richtlijn 2014/40 en over hun geldigheid in het licht van bepaalde grondrechten. 

LS&R 1470

Overzicht Tuchtrecht juni 2017

, LS&R 1470; http://www.lsenr.nl/artikelen/overzicht-tuchtrecht-juni-2017

De redactie beperkt zich tot enkel de gewezen tuchtrecht uitspraken waarin een klacht wordt toegewezen en is voornemens dit onregelmatig te publiceren. De redactie staat open voor uw suggesties voor afwijkingen: redactie@lsenr.nl.

ECLI:NL:TGZRAMS:2017:74 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2016/158. Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose. Klaagster, die destijds 34 weken zwanger was, verwijt de huisarts dat zij medicatie (Ibuprofen) heeft voorgeschreven die schadelijk is voor het ongeboren kind. De klacht heeft voorts betrekking op de bejegening. De klacht is gegrond, verweerster heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij jegens klaagster had behoren te betrachten.

ECLI:NL:TGZRSGR:2017:104 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2016-158. Grensoverschrijdend gedrag. Gegronde klacht tegen een psychiater wegens grensoverschrijdend gedrag binnen de behandelrelatie. De psychiater heeft gehandeld in strijd met de KNMG-richtlijn ‘Seksueel contact tussen arts-patiënt, het mag niet, het mag nooit’, alsmede in strijd met gedragsregels voor artsen. Voorwaardelijke schorsing voor de duur van drie maanden.

ECLI:NL:TGZRSGR:2017:102 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2016-298. Schending beroepsgeheim. Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft ten onrechte zonder toestemming van klaagster privacygevoelige informatie aan de werkgever van klaagster verschaft. Ook heeft de bedrijfsarts mededelingen gedaan die niet noodzakelijk waren zoals bedoeld in de Leidraad van de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde. De gedragsmatige aanpak van de bedrijfsarts stond op gespannen voet met de Richtlijn Psychische klachten en de ondersteuning van klaagster door de bedrijfsarts liet te wensen over, maar is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Berisping.

ECLI:NL:TGZREIN:2017:63 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 16198. Onvoldoende informatie. Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose. Plastisch chirurg. Klachten: (a) basisarts noemt zich chirurg, (b) onvoldoende informatie gegeven over complexiteit en verhoogd risico onderooglidcorrecties, (c) onzorgvuldig handelen, (d) afschuiven verantwoordelijkheid. Het college verklaart de klachten a, b en c (gedeeltelijk) gegrond en d ongegrond. Verweerster heeft term chirurg gebruikt. Niet voldaan aan informatieplicht. Bij wensgeneeskunde verzwaarde informatieplicht. Geen goede voorbereiding en ingreep niet goed uitgevoerd. Brandwond op ooglid kunstfout. Maatregel: college weegt mee: dossiervoering ver onder de maat, verweerster niet bekwaam om ingreep uit te voeren en geen achtervang geregeld. Gedeeltelijke ontzegging van de bevoegdheid, te weten om boven- en onderooglidcorrecties te verrichten.

ECLI:NL:TGZRZWO:2017:111 Regionaal Tuchtvollege te Zwolle 036/2017. Klacht over onvoldoende zorg en onheuse bejegening door huisarts is gegrond. Het Centraal Tuchtcollege heeft de arts eind 2013 een laatste kans gegund en hem een voorwaardelijke schorsing opgelegd met een proeftijd van twee jaar. Thans is er weer sprake van een klacht met gelijksoortige verwijten en ontbrekende kritische reflectie van de arts op zijn eigen handelen. Het college legt de maatregel op van schorsing van zijn inschrijving in het BIG-register voor de duur van zes maanden.

ECLI:NL:TGZRZWO:2017:114 Regionaal Tuchtcollege te Zwolle 260/2016. Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose. Handelen huisarts toereikend op basis voorhanden zijnde informatie, geen noodtoestand, adequaat reageren op noodoproep, onzorgvuldigheid bij toedienen Ascal.

LS&R 1391

Sprake van onrechtmatige uitlatingen nu niet is voldaan aan de voorwaarden van vergelijkende reclame

Rechtbank Den Haag 8 nov 2016, LS&R 1391; ECLI:NL:RBDHA:2016:13311 (Natuurlijk Beter Leven en Aliter Curari tegen DR. Rath Health Programs), http://www.lsenr.nl/artikelen/sprake-van-onrechtmatige-uitlatingen-nu-niet-is-voldaan-aan-de-voorwaarden-van-vergelijkende-reclame
DR. Rath Health Programs

Vzr. Rechtbank Den Haag 8 november 2016, IEF 16365; LS&R 1391; RB 2792; ECLI:NL:RBDHA:2016:13311 (Natuurlijk Beter Leven en Aliter Curari tegen DR. Rath Health Programs) Onrechtmatige uitlatingen. Vergelijkende reclame. Voedingssuplement. Health Programs is distributeur van voedingssuplementen en heeft met Aliter Curari is een distributieovereenkomst gesloten. Volgens Aliter doet Health Programs in een informatiebrief uitlatingen tegen derden dat Aliter imitatieproducten aanbiedt. Aliter stelt dat de informatiebrief verschillende mededelingen bevat die onrechtmatig zijn omdat sprake is van ongeoorloofde vergelijkende reclame, aantasting van de eer en goede naam en handelen met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. De voorzieningenrechter stelt dat de informatiebrief van Health Programs een aantal passages bevat die voorhands onrechtmatig moeten worden geacht jegens Aliter Curari en Natuurlijk Beter Leven, omdat niet is voldaan aan art. 6:194a lid 2 BW en omdat de reputatie wordt aangetast.

LS&R 1272

Calcium bruistablet valt onder post 3004 van de nomenclatuur

HvJ EU 25 februari 2016, LS&R 1272; C-124/15; ECLI:EU:C:2016:87 (Salutas Pharma tegen Hauptzollamt Hannover)
Prejudiciële verwijzing (minbuza) - Gemeenschappelijk douanetarief - Tariefindeling - Gecombineerde nomenclatuur - Post 3004 - Bruistabletten met een calciumgehalte van 500 mg - Gehalte aan een stof per aanbevolen dagelijkse dosis dat aanzienlijk hoger is dan de voor het behoud van de algemene gezondheid of het welzijn aanbevolen dagelijkse hoeveelheid. Het Hof verklaart voor recht:

De gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij [verordening (EEG) nr. 2658/87] met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, in de versie van verordening (EU) nr. 1006/2011 van de Commissie van 27 september 2011, moet aldus worden uitgelegd dat een product zoals bruistabletten met een calciumgehalte van 500 mg per tablet, die worden gebruikt ter voorkoming en behandeling van een calciumtekort en ter ondersteuning van een speciale therapie ter voorkoming en behandeling van osteoporose en waarvoor op het etiket voor volwassenen een maximale dagelijkse dosis van 1 500 mg wordt aanbevolen, valt onder post 3004 van die nomenclatuur.

 

Gestelde vraag:

Moet de [GN] aldus worden uitgelegd dat bruistabletten met een calciumgehalte van 500 mg per tablet, die worden gebruikt ter voorkoming en behandeling van een calciumtekort en ter ondersteuning van een speciale therapie ter voorkoming en behandeling van osteoporose en waarvoor op het etiket voor volwassenen een maximale dagelijkse dosis van 3 tabletten (= 1 500 mg) wordt aanbevolen, onder postonderverdeling 3004 90 00 moeten worden ingedeeld?
LS&R 1269

Geen onrechtmatige concurrentie medische hulpmiddelenmarkt

Vzr. Rechtbank Limburg 11 februari 2016, LS&R 1269; ECLI:NL:RBLIM:2016:1190 (Medpace medical device tegen Medq consultants)
Onrechtmatig handelen/verrichten concurrerende werkzaamheden. Medewerkers (gedaagden) nemen ontslag en beginnen eigen, op bedrijf van vorige werkgever lijkende onderneming. Eiseres, voormalig werkgever, verwijt gedaagden door gebruik te maken van informatie en documenten van eiseres concurrerend te handelen, althans onrechtmatig te handelen alsook het actief benaderen van klanten van eiseres. Eiseres vordert onder verbeurte van een dwangsom afgifte van deze documenten én een bevel om verdere activiteiten dienaangaande en het actief benaderen van klanten stop te zetten.

Niet weersproken wordt noch door bescheiden gestaafd weerlegt het verweer van gedaagden dat informatie en documenten vrijelijk op internet zijn te verkrijgen en dat klanten van eiseres uit eigener beweging zich tot gedaagden hebben gewend. Vordering wordt afgewezen met veroordeling van eiseres in de kosten van de procedure.

4.1. Om een voorziening te kunnen treffen als gevorderd, moet worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans bestaat dat Medpace het gelijk aan haar zijde zal krijgen als één van de partijen een bodemprocedure begint, en moet Medpace er spoedeisend belang bij hebben dat op het oordeel in de bodemprocedure vooruit wordt gelopen. Daarbij dient de voorzieningenrechter uit te gaan van de feiten met de beperkte onderzoeksmogelijkheden die het kort geding hem biedt, aangezien formele bewijslevering in deze procedure in beginsel niet plaatsvindt.

4.2. Uit de aard van de vordering acht de voorzieningenrechter het door Medpace gestelde spoedeisende belang aannemelijk.

4.3. Of Medpace het gelijk aan haar zijde zal krijgen in een eventueel aanhangig te maken bodemprocedure wordt - gelet op het over een weer gestelde - naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter betwijfeld.
Daarbij laat de voorzieningenrechter thans in het midden of Medpace wel of niet ontvankelijk is. Immers, niet is komen vast te staan dat de documenten en informatie zoals gesteld door Medpace en gebruikt door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] uniek én eigendom zijn/waren van Medpace. Medpace kan, gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagden] c.s., niet volstaan met alleen het blote stellen dat de onderwerpelijke documenten haar eigendom waren/zijn en dat deze uniek zijn. Zeker, nu naar onweersproken is komen vast te staan, de documenten en informatie vrijelijk via internet kunnen worden verkregen.
Daarnaast ontbreekt iedere verdere onderbouwing van de gestelde concurrerende activiteiten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] met klanten van Medpace noch dat daarbij het initiatief zou zijn uitgegaan van [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] . Zo zijn er geen verklaringen van die klanten of andere gegevens waaruit kan worden afgeleid dat de beweringen van Medpace juist zijn, althans het verweer van [gedaagden] c.s. niet klopt.

4.4. Dit leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat niet, althans onvoldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagden] c.s. de haar verweten onrechtmatige gedragingen hebben gepleegd en dat deze een voldoende grondslag vormen om het gevorderde toe te wijzen. De gevorderde voorzieningen worden daarom afgewezen.

LS&R 1268

Onterechte declaratie farmaceutische zorg door apotheek

Rechtbank Gelderland 20 januari 2016, LS&R 1268; ECLI:NL:RBGEL:2016:226 (Agis tegen gedaagde)
Ten onrechte farmaceutische zorg gedeclareerd door apotheek bij zorgverzekeraar. Bij tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat ter zake van medicijncassettes een bedrag van € 277.496,91 is gedeclareerd voor zorg waarvan geen enkele aanwijzing bestaat dat deze daadwerkelijk is geleverd, en dat ter zake van het project ‘dagleveringen’ tussen november 2009 en december 2010 ten hoogste een vergoeding voor weekterhandstelling gedeclareerd mocht worden. Na bewijslevering is fraude komen vast te staan.

2.7.
De verklaring van [getuige A] dat het idee van het ompakken en het dagelijks declareren van een standaardterhandstelling van [gedaagde] afkomstig was, is door [gedaagde] niet betwist. Hiermee staat vast dat [gedaagde] in feite de initiator is geweest van deze wijze van declareren. Juist hierin is het frauduleuze karakter gelegen. Dat hij volgens eigen zeggen niet zelf direct bij het declareren betrokken is geweest, maakt niet dat hij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor deze wijze van declareren. In die zin is sprake van voldoende persoonlijke betrokkenheid.

Medicatiecassettes
Uit de getuigenverhoren blijkt dat, ondanks het feit dat [getuige A] beherend apotheker van Apotheek [plaats A] is geweest in de relevante periode, [gedaagde] in feite de financiële administratie van Apotheek [plaats A] deed. [gedaagde] heeft niet betwist dat [getuige A] geen inzicht had in de hoogte van de gedeclareerde bedragen. Hij had daarin de vrije hand, zodat hij niet bang hoefde te zijn voor lastige vragen en eventuele ontdekking van ten onrechte gedeclareerde medicatiecassettes.

2.12.
Wat betreft overigens de kans op ontdekking van de onterecht gedeclareerde medicatiecassettes overweegt de rechtbank het volgende. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat de patiënten waarvoor ten onrechte een medicatiecassette is gedeclareerd zowel in Apotheek [plaats B] als in Apotheek [plaats A] zijn opgenomen in een bestand voor chronische medicatie. Dit heeft tot gevolg dat, anders dan bij medicatie per recept, het systeem slechts eenmaal een waarschuwing afgeeft dat dezelfde werkzame stof reeds is afgeleverd aan de betreffende patiënt. De waarschuwing staat niet eraan in de weg dat de werkzame stof dubbel kan worden ingevoerd. Aldus verkleint opname in een chronisch bestand aanzienlijk de kans dat wordt ontdekt dat naast de werkzame stof in pilvorm ook dezelfde werkzame stof in een medicatiecassette wordt verstrekt. Het voorgaande is alleen van belang als de systemen van Apotheek [plaats A] en Apotheek [plaats B] onderling uitwisselbaar waren, hetgeen gelet op de getuigenverklaringen niet vaststaat. Is dit niet het geval, dan treedt geen waarschuwingssysteem in werking.

Samengevat
2.14.
Vordering A: [gedaagden] zullen hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 277.496,91 ter zake van de medicatiecassettes.
Vordering B: deze vordering ter zake van de dubbele betalingen is ingetrokken.
Vordering C: voor recht zal worden verklaard dat Apotheek [plaats A] ter zake van de dagleveringen in de periode van 1 november 2009 tot en met 8 december 2010 slechts recht heeft op wekelijks een vergoeding voor weekterhandstelling.
Vordering D: deze vordering is ingetrokken.
Vordering E: voor recht zal worden verklaard dat [gedaagden] hoofdelijk verbonden zijn tot terugbetaling aan Agis van hetgeen Agis ter zake van de dagleveringen onverschuldigd aan Apotheek [plaats A] heeft betaald. Agis zal in de gelegenheid worden gesteld om bij akte deze vordering met de uitgangspunten als in dit vonnis (onder 2.7) geformuleerd nader te onderbouwen.
Vordering F: bij eindvonnis zal [gedaagden] worden veroordeeld in de proceskosten en nakosten.
Het voorgaande leidt tot na te melden beslissing.