LS&R 1687

Octrooi Biogen vernietigd in bodemprocedure, vorderingen afgewezen door afstemmingsregel

Hof Den Haag 11 september 2018, IEF 18177; LS&R 1687 (Biogen c.s. tegen Celltrion c.s.) Octrooirecht. Biogen brengt een geneesmiddel op de markt voor de behandeling van patiënten met CLL, bekend onder de naam Rituximab. Zij is houdster van Europees octrooi EP 2 055 313. Celltrion heeft een biosimilar van rituximab ontwikkeld: Truxima. Omdat het tussenarrest van 7 november 2017 rond dezelfde periode als het vonnis in de bodemprocedure werd uitgesproken, achtte het hof het opportuun vanwege de door de HR geformuleerde "afstemmingsregel" haar uitspraak in onderhavig kort geding procedure aan te houden. Een belangenafweging stond niet aan aanhouding in de weg. De door Biogen gestelde prijserosie was reeds ingezet nu Celltrion met haar biosimilar Truxima al enige tijd op de markt was. Mocht Celltrion c.s. een verbod opgelegd worden, terwijl in de bodemprocedure het octrooi zou worden vernietigd, dan zal zij haar marktpositie niet zo gemakkelijk kunnen terugwinnen omdat bij biosimilars (die immers niet identiek zijn) bij gebreke van noodzaak liever niet van medicatie wordt gewisseld. Aldus is haar schade structureler van aard en minder gemakkelijk te berekenen. In de bodemprocedure is het octrooi door de rechtbank vernietigd. Aangezien Biogen alleen EP 313 ten grondslag heeft gelegd aan haar verbodsvorderingen in de onderhavige procedure en is uit gegaan van de ongeldigheid daarvan, dienen de vorderingen van Biogen te worden afgewezen. 

4.5. Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de procedure wordt voortgezet en het hof moet beslissing over de vorderingen van Biogen. Gelet op de door de Hoge Raad geformuleerde "afstemmingsregel" dient het hof zich daarbij te richten naar hetgeen in een tussen dezelfde partijen aanhangige bodemprocedure over dezelfde rechtsvraag is beslist. Dat betekent dat het hof thans dient uit te gaan van de ongeldigheid van EP 313.

4.6. Aangezien Biogen (alleen) EP 313 ten grondslag heeft gelegd aan haar verbodsvorderingen in onderhavige procedure en is uit te gaan van de ongeldigheid daarvan, dienen de vorderingen van Biogen te worden afgewezen, met veroordeling van Biogen als de in het ongelijk gestelde partij in de redelijke en evenredige proceskosten aan de zijde van Celltrion, volgens afspraak tussen partijen begroot op €50.000 welk bedrag het hof niet onredelijk of onevenredig voorkomt.