Gepubliceerd op maandag 6 juli 2026
LS&R 2408
Rechtbank Gelderland ||
6 jul 2026,
Rechtbank Gelderland 6 jul 2026,, LS&R 2408; ECLI:NL:RBGEL:2026:5079 (Morecare Clinics tegen VGZ), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-gelderland-contractsvrijheid-staat-contracteerverplichting-zorgverzekeraar-in-de-weg

Rb. Gelderland: contractsvrijheid staat contracteerverplichting zorgverzekeraar in de weg

Rb. Gelderland 23 april 2026, LS&R 2408; ECLI:NL:RBGEL:2026:5079 (Morecare Clinics tegen VGZ). In deze zaak tussen MoreCare Clinics en VGZ staat de vraag centraal of VGZ verplicht kan worden een zorgovereenkomst te sluiten met MoreCare Clinics voor bariatrische zorg (de medische behandeling van ernstig overgewicht). MoreCare Clinics stelt dat VGZ met de weigering om te contracteren in strijd handelt met haar zorgplicht (artikel 11 Zorgverzekeringswet), het hinderpaalcriterium (artikel 13 Zorgverzekeringswet), de redelijkheid en billijkheid, de doelstellingen van het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA). De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af. Volgens de voorzieningenrechter brengt het stelsel van de Zorgverzekeringswet mee dat zorgverzekeraars in beginsel vrij zijn om te bepalen met welke zorgaanbieders zij een overeenkomst sluiten. MoreCare Clinics exploiteert een zelfstandig behandelcentrum voor bariatrische chirurgie. VGZ weigert al meerdere jaren een zorgovereenkomst aan te bieden, omdat haar inkoopbeleid voorschrijft dat alleen zorgaanbieders in een ziekenhuissetting met een intensive care op locatie worden gecontracteerd wanneer zij ook ASA 3-patiënten (patiënten met een ernstige systematische aandoeningen) opereren. MoreCare Clinics vindt dat dit beleid achterhaald is en wijst erop dat andere zorgverzekeraars, de relevante beroepsvereniging en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd geen bezwaar hebben tegen behandeling van deze patiëntengroep in haar kliniek. Volgens VGZ is het beleid bedoeld om de veiligheid van verzekerden te waarborgen. De voorzieningenrechter oordeelt dat VGZ in beginsel zelf haar inkoopbeleid mag bepalen, zolang dat objectief, transparant en niet-discriminerend wordt toegepast. In dit kort geding is onvoldoende aannemelijk geworden dat VGZ haar beleid inconsistent toepast of dat zij in redelijkheid niet tot dit beleid heeft kunnen komen. Voor een inhoudelijke beoordeling van de medische discussie over de behandeling van ASA 3-patiënten biedt deze procedure geen ruimte.

Ook is onvoldoende aannemelijk geworden dat VGZ haar zorgplicht schendt. VGZ heeft gemotiveerd toegelicht en met stukken onderbouwd dat zij voldoende bariatrische zorg heeft ingekocht en dat gecontracteerde zorgaanbieders extra patiënten kunnen opvangen, dat de wachttijden binnen de aanvaardbare tijd (Treeknormen) blijven en dat de vraag naar bariatrische chirurgie lijkt te stagneren of dalen mede door de opkomst van medicamenteuze behandelingen. Dat MoreCare Clinics haar patiënten een volledige coulanceregeling biedt, maakt volgens de voorzieningenrechter evenmin dat sprake is van een schending van het hinderpaalcriterium of dat VGZ daarom verplicht is een overeenkomst met MoreCare Clinics te sluiten. Niet in geschil is dat verzekerden door die coulanceregeling geen feitelijke hinderpaal ervaren. Een eventuele schending van artikel 13 Zorgverzekeringswet zou bovendien eerder aanleiding kunnen zijn om de vergoeding aan verzekerden aan te passen dan om een contracteerverplichting op te leggen. Ook het beroep op de redelijkheid en billijkheid slaagt niet. Volgens de voorzieningenrechter kunnen die beginselen een bestaande (pre)contractuele verhouding inkleuren, maar vormen zij geen zelfstandige grondslag om een zorgverzekeraar te verplichten een overeenkomst met een nieuwe zorgaanbieder te sluiten. De door MoreCare Clinics aangehaalde rechtspraak ziet op situaties met bestaande contractuele relaties (zoals reële tarieven of beëindiging van contracten) en niet op het ontstaan van een verplichting om met een nieuwe aanbieder te contracteren. Daarom worden zowel de primaire als de subsidiaire vorderingen afgewezen. De voorzieningenrechter merkt wel op dat het aantal VGZ-verzekerden dat jaarlijks door MoreCare Clinics wordt behandeld en de rol en taak van de zorgverzekeraar in het zorglandschap aanleiding kan zijn voor een inhoudelijk gesprek tussen de medisch adviseurs van VGZ en MoreCare Clinics over het gehanteerde inkoopbeleid. De rechter geeft VGZ daarom in overweging haar weigering om een dergelijk gesprek te voeren te heroverwegen. Dat leidt echter niet tot toewijzing van de vorderingen. MoreCare Clinics wordt veroordeeld in de proceskosten.

3.7. Wat MoreCare Clinics in de kern – kort samengevat – betoogt is dat het beleid van VGZ al 15 jaar achterhaald is omdat de ASA 3 classificatie meer dan 60 jaar oud is, zich dus niet meer verhoudt tot de huidige stand van de wetenschap en het voorgaande ook wordt ingezien door andere zorgverzekeraars, beroepsverenigingen en de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Zowel de beroepsvereniging als de IGJ hebben laten weten geen bezwaar te hebben tegen de behandeling van ASA 3 patiënten in een ZBC omdat de spoedzorg en achterwachtregeling bij MoreCare Clinics goed zijn geborgd. Volgens MoreCare Clinics is het onterecht dat VGZ dit beleid hanteert omdat het geen steun vindt in richtlijnen en is MoreCare Clinics de enige partij die op basis van dit beleid wordt uitgesloten van contractering. VGZ heeft ook dit gemotiveerd betwist. Volgens haar is het beleid een weerspiegeling van een bredere zorginhoudelijke consensus en praktijk. Ook betwist VGZ dat MoreCare Clinics de enige partij is die door dit beleid wordt uitgesloten. Partijen hebben op dit punt hun stellingen over en weer onderbouwd en gemotiveerd toegelicht waarom behandeling van ASA 3 patiënten wel of niet uitsluitend in een ziekenhuissetting met een intensive care op locatie moet plaatsvinden. De discussie hierover kan echter niet in het kader van deze procedure worden beslecht. In beginsel is VGZ vrij in het hanteren van kwaliteitseisen bij de zorginkoop. Het is niet aan de voorzieningenrechter om het beleid van VGZ uitgebreid inhoudelijk te toetsen. In het kader van de marginale toets, waartoe de voorzieningenrechter zich dient te beperken, kan in elk geval nu niet worden aangenomen dat de motivering duidelijk tekort schiet en/of dat VGZ niet in redelijkheid tot dit beleid kan kunnen komen.

3.10. Tot slot kan MoreCare Clinics ook niet worden gevolgd in haar betoog dat VGZ op grond van de redelijkheid en billijkheid gehouden is een contract aan te bieden. De (pre)contractuele verhouding tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders wordt weliswaar beheerst door de redelijkheid en billijkheid maar het kan geen grondslag vormen voor de gevorderde verplichting tot contractsluiting. De jurisprudentie die MoreCare Clinics in dit verband aanhaalt leidt niet tot een andere conclusie. Die zaken gaan juist over gecontracteerde zorg in combinatie met het aanbieden van reële tarieven en over de beëindiging van bestaande contractuele relaties. Dit betreffen dus bestaande contractuele verhoudingen waar de redelijkheid en billijkheid een rol kan spelen. Ook uit het door MoreCare Clinics aangehaalde vonnis van de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:RBMNE:2015:9415)5 volgt niet dat de redelijkheid en billijkheid een zelfstandige grond kan vormen voor een verplichting om met (nieuwe) zorgaanbieders te contracteren. Het beroep van MoreCare Clinics op de redelijkheid en billijkheid en de zorgvuldigheidsverplichting als grondslag voor de primaire vordering faalt dus. Uit het Integraal Zorgakkoord en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord vloeit evenmin een verplichting voort om met alle zorgaanbieders een contract te sluiten. Dit zou ook in strijd zijn met de contractsvrijheid en de regierol van de zorgverzekeraar.