Gepubliceerd op maandag 15 juni 2026
LS&R 2397
Rechtbank Gelderland ||
21 jan 2026
Rechtbank Gelderland 21 jan 2026, LS&R 2397; ECLI:NL:RBGEL:2026:2599 ((Menzis tegen [gedaagde])), https://www.lsenr.nl/artikelen/rb-gelderland-zorgpremievordering-verjaard-omdat-ontvangst-stuitingsbrieven-niet-vaststaat

Rb Gelderland: zorgpremievordering verjaard omdat ontvangst stuitingsbrieven niet vaststaat

Rb. Gelderland 21 januari 2026, LS&R 2397; ECLI:NL:RBGEL:2026:2599 (Menzis tegen [gedaagde]). De kantonrechter van de Rechtbank Gelderland heeft geoordeeld dat de vordering van Menzis tot betaling van achterstallige zorgpremies is verjaard. Hoewel Menzis meerdere schriftelijke aanmaningen en e-mails heeft verstuurd, staat niet vast dat deze [de gedaagde] hebben bereikt. Daardoor is de verjaring niet tijdig gestuit en wordt de vordering afgewezen. Tussen Menzis en [de gedaagde] bestond in de periode van 27 maart 2017 tot en met 23 november 2017 een zorgverzekeringsovereenkomst. De premie bedroeg € 119 per maand. Volgens Menzis heeft [de gedaagde] gedurende zes maanden geen premie betaald, waardoor een achterstand van € 733,83 is ontstaan. Inclusief rente en buitengerechtelijke incassokosten vordert Menzis een bedrag van € 971,18. [de gedaagde] voert aan dat de vordering inmiddels is verjaard en betwist daarnaast dat hij de premie onbetaald heeft gelaten. De kantonrechter stelt voorop dat een rechtsvordering tot nakoming van periodieke betalingen verjaart door verloop van vijf jaar nadat de vordering opeisbaar is geworden. Die termijn kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of een andere schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Vast staat dat [de gedaagde] in ieder geval de brief van 17 september 2018 heeft kunnen ontvangen en dat de brief van 27 mei 2019 de bewindvoerder van [de gedaagde] heeft bereikt. Daarmee is de verjaring op 27 mei 2019 gestuit en is een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar gaan lopen. Centraal staat vervolgens de vraag of Menzis de verjaring tussen 27 mei 2019 en 11 april 2025 opnieuw heeft gestuit. Volgens de kantonrechter rusten de stelplicht en bewijslast daarvan op Menzis. Daarbij geldt dat een verklaring pas werking heeft wanneer deze de geadresseerde heeft bereikt. De kantonrechter verwijst in dit verband naar de maatstaf van de Hoge Raad, inhoudende dat de afzender moet stellen en zo nodig bewijzen dat de verklaring is verzonden, dat deze is verstuurd naar een adres waarvan redelijkerwijs mocht worden aangenomen dat de geadresseerde daar bereikbaar was en dat de verklaring daar is aangekomen.

De schriftelijke aanmaning van 2 november 2020 voldoet volgens de kantonrechter niet aan deze maatstaf. Menzis heeft niet gesteld dat de brief aangetekend is verzonden en kan niet aantonen dat [de gedaagde] deze heeft ontvangen. Bovendien wist Menzis dat [de gedaagde] geen adres meer in Nederland had. De bewindvoerder had dat expliciet meegedeeld en uit de Basisregistratie Personen bleek evenmin een Nederlandse inschrijving. Dat in een beschikking tot opheffing van het bewind nog een Nederlands adres stond vermeld, maakt dit niet anders. Het risico van verzending naar een adres waarvan niet vaststaat dat [de gedaagde] daar bereikbaar was, komt volgens de kantonrechter voor rekening van Menzis. Ook de e-mails van 23 oktober 2020 en 29 april 2022 hebben de verjaring niet gestuit. Het e-mailadres waarnaar deze berichten zijn verzonden was door de bewindvoerder aan Menzis verstrekt, maar [de gedaagde] betwist dat dit zijn e-mailadres was. Volgens de kantonrechter mocht Menzis in haar verhouding tot de bewindvoerder weliswaar vertrouwen op de juistheid van het opgegeven adres, maar kan een eventuele fout van de bewindvoerder niet aan [de gedaagde] worden toegerekend. Dat een e-mail volgens een systeem is afgeleverd, betekent bovendien niet dat deze de geadresseerde ook daadwerkelijk heeft bereikt. Menzis heeft onvoldoende onderbouwd dat de e-mails [de gedaagde] hebben bereikt. Omdat na 27 mei 2019 geen geldige stuitingshandeling heeft plaatsgevonden, zijn de vorderingen van Menzis vijf jaar later verjaard. De schriftelijke aanmaning van 11 april 2025 komt daarvoor te laat. Het beroep op verjaring slaagt daarom en de kantonrechter wijst de vorderingen van Menzis af. Menzis wordt veroordeeld in de proceskosten van [de gedaagde], begroot op € 337,50.

4.4. Op grond van artikel 3:37 lid 3 BW moet een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als deze door hem is ontvangen. Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2013:BZ4104) moet de afzender stellen en zo nodig bewijzen dat de verklaring is verzonden, dat het adres een adres is ‘waarvan de afzender redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt’ en dat de verklaring is aangekomen. Gelet op gemotiveerde betwisting van [de gedaagde] , ligt de stelplicht en bewijslast van de ontvangst van de brieven bij Menzis.

4.5. Door Menzis is niet gesteld of gebleken dat zij de schriftelijke aanmaning van 2 november 2020 per aangetekende post heeft verzonden. Daarom kan niet worden vastgesteld dat deze daadwerkelijk door [de gedaagde] is ontvangen. Daarnaast is de brief van 2 november 2020 gericht aan een adres in Nederland, hoewel de bewindvoerder specifiek aan Menzis heeft bericht dat [de gedaagde] niet langer in Nederland woonachtig was. Menzis stelt dat zij mocht uitgaan van de juistheid van het adres, omdat het adres genoemd wordt in de beschikking van de rechtbank omtrent het bewind en dit een betrouwbare bron is. Wel erkent Menzis dat er destijds geen inschrijving in het BRP was. De kantonrechter is van oordeel dat Menzis redelijkerwijs had kunnen weten dat [de gedaagde] in Nederland geen adres had, omdat het BRP geen inschrijving toonde en de bewindvoerder dit ook expliciet had gemeld. De gevolgen van de keuze om de brief niet aangetekend te versturen en een adres van [de gedaagde] te gebruiken, terwijl hij niet langer in Nederland verbleef, zijn voor rekening en risico van Menzis. Dit geldt zeker, nu de ontvangst van de schriftelijke aanmaning door [de gedaagde] van belang was voor het stuiten van de verjaring. Nu de ontvangst van de schriftelijke aanmaning van 2 november 2020 niet vaststaat, heeft deze brief de verjaring niet gestuit.

4.6. Op 23 oktober 2020 en 29 april 2022 heeft Menzis een e-mail verstuurd aan [de gedaagde] met daarbij een aanmaning. Menzis had een e-mail ontvangen van de bewindvoerder van [de gedaagde] waarbij wordt gemeld om de correspondentie vanaf dat moment weer te richten aan [de gedaagde] zelf. Hierbij had de bewindvoerder een e-mailadres opgegeven, omdat [de gedaagde] niet langer een adres in Nederland had. [de gedaagde] voert aan dat dit niet zijn e-mailadres is en dat de bewindvoerder ook een ander e-mailadres gebruikte om met hem te communiceren. Menzis voert aan dat zij erop mocht vertrouwen dat het e-mailadres van [de gedaagde] was en dat de e-mails hem daardoor hebben bereikt. Hoewel het begrijpelijk is dat Menzis uitgaat van de juistheid van het e-mailadres, is dit een vertrouwen dat zij enkel mocht hebben in haar relatie tot de bewindvoerder. Dat de bewindvoerder kennelijk een foutief e-mailadres aan Menzis heeft verstrekt, is niet een omstandigheid die aan [de gedaagde] kan worden toegerekend. Hij was hiervan immers niet op de hoogte en kon dit redelijkerwijs ook niet zijn. Ook wat betreft het versturen van e-mails is het aan Menzis om te stellen en zo nodig te bewijzen dat deze door [de gedaagde] zijn ontvangen. Menzis legt slechts een brief over van een systeem waarin staat dat de e-mail van 29 april 2022 is afgeleverd. Het afleveren van een e-mail staat niet gelijk aan het ontvangen en bereiken daarvan door [de gedaagde] . Menzis onderbouwt onvoldoende dat de e-mails [de gedaagde] daadwerkelijk bereikt hebben. Nu de ontvangst van de e-mails van 23 oktober 2020 en 29 april 2022 niet vaststaat, hebben deze e-mails de verjaring evenmin gestuit.

4.7. Gelet op het voorgaande heeft Menzis na 27 mei 2019 de verjaring van de vorderingen niet gestuit. Dit betekent dat de vorderingen vijf jaar na deze datum verjaren. De brief van 11 april 2025 heeft [de gedaagde] wel bereikt, maar dit is dus meer dan vijf jaar na 27 mei 2019. Het beroep op verjaring door [de gedaagde] slaagt reden waarom de kantonrechter de vordering tot terugbetaling van de premiebedragen zal afwijzen.