Gepubliceerd op dinsdag 25 augustus 2026
LS&R 2450
Hof Den Haag ||
28 jul 2026,
Hof Den Haag 28 jul 2026,, LS&R 2450; ECLI:NL:GHDHA:2026:2460 (Avéro Achmea tegen [geïntimeerde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hof-den-haag-stelt-vergoeding-voor-buitenlandse-car-t-behandeling-met-yescarta-vast-op-412-736-71

Hof Den Haag stelt vergoeding voor buitenlandse CAR-T-behandeling met Yescarta vast op € 412.736,71

Hof Den Haag 28 juli 2026, LS&R 2450; ECLI:NL:GHDHA:2026:2460 (Avéro Achmea tegen [geïntimeerde]). Het Gerechtshof stelt in dit eindarrest de hoogte vast van de vergoeding voor een CAR-T-behandeling die een Nederlandse verzekerde in 2018 in het buitenland heeft ondergaan. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), die door het hof als deskundige was benoemd, berekende een passende totale vergoeding van € 435.746,36. Daarbij werd voor Yescarta, het geneesmiddel dat bij de CAR-T-behandeling werd gebruikt, een bedrag van € 310.650 gehanteerd. De deskundige sloot daarvoor aan bij de door Zorginstituut Nederland geadviseerde minimumkorting van 5% op de toenmalige vraagprijs van € 327.000. Avéro Achmea voerde aan dat mogelijk een hogere vertrouwelijke korting met fabrikant Gilead was overeengekomen en daarom van een lagere vergoedingsprijs moest worden uitgegaan. Het hof volgt dit niet. De daadwerkelijke korting was niet bekend en het hof ziet, gelet op het deskundigenbericht en de informatie van Zorginstituut Nederland en het ministerie van VWS, geen aanleiding om van het advies van de deskundige af te wijken.

Ook de overige bezwaren tegen de berekening slagen niet. Het hof ziet geen grond om rekening te houden met mogelijk lagere contractprijzen dan de gehanteerde NZa-maximumtarieven, omdat concrete gegevens daarover ontbreken en Avéro Achmea die niet heeft verstrekt. Ook wordt niet afgeweken van de 26 IC-dagen die de deskundige in haar berekening heeft betrokken. De bezwaren van de verzekerde over extramurale medicatie en fysiotherapie leiden evenmin tot aanpassing van het bedrag, omdat onvoldoende is toegelicht dat deze kosten onderdeel uitmaakten van de nota’s die door de deskundige moesten worden beoordeeld en deze bezwaren bovendien te laat zijn aangevoerd. Van de door de deskundige berekende € 435.746,36 trekt het hof € 23.009,65 af aan reeds door Avéro Achmea betaalde declaraties. Daarmee resteert een toewijsbare hoofdsom van € 412.736,71, vermeerderd met wettelijke rente. Het hoger beroep van Avéro Achmea slaagt gedeeltelijk: het vonnis wordt vernietigd voor zover daarin een hogere hoofdsom was toegewezen en voor het overige bekrachtigd.

2.17.

De grieven behoeven geen verdere bespreking. De slotsom is dat het hoger beroep van Avéro Achmea gedeeltelijk slaagt. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen voor zover Avéro Achmea is veroordeeld om in hoofdsom méér aan [geïntimeerde] te voldoen dan het door de deskundige geadviseerde bedrag van € 435.746,36 -/- de door Avéro Achmea reeds vrijwillig betaalde nota’s ten bedrage van € 23.009,65 = € 412.736,71.

2.18.

De rechtbank heeft in eerste aanleg een hoger bedrag in hoofdsom toegewezen, en wat de wettelijke rente betreft een splitsing gemaakt door over het bedrag van € 493.047,35 de wettelijke rente toe te kennen vanaf 3 mei 2018, en over het bedrag van € 80.727,51 vanaf 23 augustus 2018. Tegen deze ingangsdata van de wettelijke rente heeft Avéro Achmea geen grieven gericht. Uit het deskundigenbericht is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet af te leiden in hoeverre het door de deskundige geadviseerde bedrag van € 435.246,36 betrekking heeft op nota’s die onder het door de rechtbank in aanmerking genomen bedrag van € 493.047,35 vallen (wettelijke rente vanaf 3 mei 2018) en in hoeverre op het bedrag van € 80.727,51 (wettelijke rente vanaf 23 augustus 2018). Het hof zal schattenderwijs het toe te wijzen bedrag in dezelfde verhouding als de rechtbank heeft gedaan, toerekenen aan de onderscheiden rente-ingangsdata. Deze verhouding € 493.047,35:€ 80.727,51 van de rechtbank komt voor het toe te wijzen bedrag neer op een bedrag van € 412.736,71 x € 493.047,35/(€ 493.047,35 + € 80.727,51) = € 354.666,53 met rente-ingangsdatum 3 mei 2018, en een bedrag van € 412.736,71 x € 80.727,51/(€ 493.047,35 + € 80.727,51) = € 58.070,18 met rente-ingangsdatum 23 augustus 2018.

2.19.

Het hof ziet geen aanleiding om anders te oordelen over de door de rechtbank in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling ten laste van Avéro Achmea. Weliswaar oordeelt het hof het verweer van Avéro Achmea tegen de vordering van [geïntimeerde] gedeeltelijk gegrond; per saldo heeft Avéro Achmea nog steeds te gelden als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het in de eerste plaats op de weg van Avéro Achmea lag om de door [geïntimeerde] ingediende declaraties te beoordelen en daarvan het door haar op grond van de afgesloten verzekering verschuldigde bedrag te vergoeden. Dat [geïntimeerde] in het kader van de onderhavige procedure een hoger bedrag vordert dan uiteindelijk toewijsbaar blijkt, kan hem in dit kader niet of althans in aanmerkelijk mindere mate worden toegerekend.

2.20.

Om deze reden zal het hof Avéro Achmea ook veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Het hof begroot deze aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden op € 1.727,- voor het griffierecht en 4 punten x appeltarief VII = € 22.476,- voor het salaris van de advocaat, te vermeerderen met € 189,-voor het nasalaris, totaal € 24.392,-. In het geval van betekening na vergeefse aanschrijving zoals het dictum vermeldt, komt hier nog een bedrag van € 98,- voor extra nasalaris bij, plus de kosten van betekening.

2.21.

Avéro Achmea heeft gevorderd om [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling van wat zij ter uitvoering van het bestreden eindvonnis aan hem heeft voldaan. Deze vordering is toewijsbaar, voor zover Avéro Achmea ingevolge het vonnis meer heeft voldaan dan wat zij volgens het hof aan [geïntimeerde] verschuldigd is.