CBb: intrekking azolenprotocol is geen besluit in de zin van de Awb
CBb 6 mei 2026, LS&R 2405; ECLI:NL:CBB:2026:200 (vereniging tegen Ctgb). In deze zaak tussen Vereniging [naam] en het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) staat de vraag centraal of het besluit van het Ctgb om het zogenoemde azolenprotocol in te trekken een besluit is in de zin van artikel Artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht waartegen bezwaar en beroep openstaan. Het College oordeelt dat dit niet het geval is, omdat de intrekking van het protocol zelf geen rechtsgevolg heeft. Het Ctgb had in 2021 het azolenprotocol verbonden aan de wettelijke gebruiksvoorschriften van gewasbeschermingsmiddelen op basis van azolen voor de bloembollen- en bloemknollenteelt. Het protocol bevatte voorschriften voor de opslag en verwerking van organisch restmateriaal om te voorkomen dat de schimmel Aspergillus fumigatus resistent zou worden tegen azolen. De naleving van het protocol was een voorwaarde voor het gebruik van de betrokken gewasbeschermingsmiddelen. In 2023 trok het Ctgb het protocol in, omdat uit onderzoek was gebleken dat het onvoldoende bijdroeg aan het voorkomen of beperken van azolenresistentie, een wereldwijd probleem waarvoor een bredere aanpak noodzakelijk is. Daarbij speelde voor het Ctgb mede dat de voorschriften uit het protocol in de praktijk onvoldoende handhaafbaar bleken. Tegelijkertijd wijzigde het Ctgb de wettelijke gebruiksvoorschriften van de betrokken gewasbeschermingsmiddelen door de verwijzing naar het protocol te verwijderen. De vereniging maakte bezwaar tegen de intrekking van het azolenprotocol. Volgens haar is het protocol een concretiserend besluit van algemene strekking (CBAS), omdat het de zorgplicht voor de verwerking van organisch restmateriaal nader invult. Daarnaast voert zij aan dat het intrekken van het protocol aanzienlijke gevolgen heeft voor milieu en volksgezondheid en daarom onder meer in het licht van het Verdrag van Aarhus niet zonder uitgebreide voorbereidingsprocedure had mogen plaatsvinden. Ook verzoekt zij het College prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie over de kwalificatie van het protocol als CBAS.