tuchtrecht

LS&R 1577

Verzoek tot verstrekking medisch dossier dient het belang om kwaliteit medisch handelen te laten toetsen

Rechtbank Rotterdam 7 feb 2018, LS&R 1577; ECLI:NL:RBROT:2018:984 (Medisch dossier overleden moeder), http://www.lsenr.nl/artikelen/verzoek-tot-verstrekking-medisch-dossier-dient-het-belang-om-kwaliteit-medisch-handelen-te-laten-toe
Medisch dossier

Rechtbank Rotterdam 7 februari 2018, IT 2496; LS&R 1577; ECLI:NL:RBROT:2018:984 (Medisch dossier overleden moeder) Privacy. Medisch dossier. Eiser heeft aangifte gedaan tegen twee verpleegkundigen die bij zijn, inmiddels overleden, moeder betrokken zijn geweest bij de medische behandeling en zorg. Eiser heeft een huisarts verzocht om (delen van) het medisch dossier van zijn moeder aan hem te verstrekken. De huisarts heeft hier geen gehoor aan gegeven. Het belang van eiser om de kwaliteit van het medisch handelen te laten toetsen door een (tucht)rechter, kan in voldoende mate worden gediend door een onafhankelijke (huis)arts het medisch dossier van de moeder van eiser te laten inzien met het verzoek antwoord te geven op concrete vragen ten aanzien van de behandeling van zijn moeder. Een verdergaand recht op inzage in/afschrift van het medisch dossier na overlijden zou het beroepsgeheim in belangrijke mate kunnen uithollen. De vordering wordt dan ook in zoverre toegewezen.

LS&R 1470

Overzicht Tuchtrecht juni 2017

, LS&R 1470; http://www.lsenr.nl/artikelen/overzicht-tuchtrecht-juni-2017

De redactie beperkt zich tot enkel de gewezen tuchtrecht uitspraken waarin een klacht wordt toegewezen en is voornemens dit onregelmatig te publiceren. De redactie staat open voor uw suggesties voor afwijkingen: redactie@lsenr.nl.

ECLI:NL:TGZRAMS:2017:74 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2016/158. Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose. Klaagster, die destijds 34 weken zwanger was, verwijt de huisarts dat zij medicatie (Ibuprofen) heeft voorgeschreven die schadelijk is voor het ongeboren kind. De klacht heeft voorts betrekking op de bejegening. De klacht is gegrond, verweerster heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij jegens klaagster had behoren te betrachten.

ECLI:NL:TGZRSGR:2017:104 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2016-158. Grensoverschrijdend gedrag. Gegronde klacht tegen een psychiater wegens grensoverschrijdend gedrag binnen de behandelrelatie. De psychiater heeft gehandeld in strijd met de KNMG-richtlijn ‘Seksueel contact tussen arts-patiënt, het mag niet, het mag nooit’, alsmede in strijd met gedragsregels voor artsen. Voorwaardelijke schorsing voor de duur van drie maanden.

ECLI:NL:TGZRSGR:2017:102 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2016-298. Schending beroepsgeheim. Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft ten onrechte zonder toestemming van klaagster privacygevoelige informatie aan de werkgever van klaagster verschaft. Ook heeft de bedrijfsarts mededelingen gedaan die niet noodzakelijk waren zoals bedoeld in de Leidraad van de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde. De gedragsmatige aanpak van de bedrijfsarts stond op gespannen voet met de Richtlijn Psychische klachten en de ondersteuning van klaagster door de bedrijfsarts liet te wensen over, maar is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Berisping.

ECLI:NL:TGZREIN:2017:63 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 16198. Onvoldoende informatie. Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose. Plastisch chirurg. Klachten: (a) basisarts noemt zich chirurg, (b) onvoldoende informatie gegeven over complexiteit en verhoogd risico onderooglidcorrecties, (c) onzorgvuldig handelen, (d) afschuiven verantwoordelijkheid. Het college verklaart de klachten a, b en c (gedeeltelijk) gegrond en d ongegrond. Verweerster heeft term chirurg gebruikt. Niet voldaan aan informatieplicht. Bij wensgeneeskunde verzwaarde informatieplicht. Geen goede voorbereiding en ingreep niet goed uitgevoerd. Brandwond op ooglid kunstfout. Maatregel: college weegt mee: dossiervoering ver onder de maat, verweerster niet bekwaam om ingreep uit te voeren en geen achtervang geregeld. Gedeeltelijke ontzegging van de bevoegdheid, te weten om boven- en onderooglidcorrecties te verrichten.

ECLI:NL:TGZRZWO:2017:111 Regionaal Tuchtvollege te Zwolle 036/2017. Klacht over onvoldoende zorg en onheuse bejegening door huisarts is gegrond. Het Centraal Tuchtcollege heeft de arts eind 2013 een laatste kans gegund en hem een voorwaardelijke schorsing opgelegd met een proeftijd van twee jaar. Thans is er weer sprake van een klacht met gelijksoortige verwijten en ontbrekende kritische reflectie van de arts op zijn eigen handelen. Het college legt de maatregel op van schorsing van zijn inschrijving in het BIG-register voor de duur van zes maanden.

ECLI:NL:TGZRZWO:2017:114 Regionaal Tuchtcollege te Zwolle 260/2016. Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose. Handelen huisarts toereikend op basis voorhanden zijnde informatie, geen noodtoestand, adequaat reageren op noodoproep, onzorgvuldigheid bij toedienen Ascal.

LS&R 1170

Cardioloog handelt in strijd met KNMG Richtlijnen inzake omgaan medische gegevens

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag 25 augustus 2015, LS&R 1170 (Klacht tegen cardioloog) Arbeidsongeschiktheidsassuradeur werd onvolledige geïnformeerd over de medische toestand van klager. De cardioloog heeft een oordeel gegeven over de arbeidsongeschiktheid. Door het percentage van de arbeidsongeschiktheid te noemen heeft de arts een oordeel gegeven en daarmee in strijd gehandeld met de KNMG Richtlijnen inzake het omgaan met medische gegevens. De arts in in de gegevensverstrekking aan de medisch adviseur niet onvolledig geweest. De klacht is dus deels gegrond en ongegrond. De cardioloog krijgt een waarschuwing.

5.1 Volgens de KNMG-publicatie ‘Richtlijnen inzake het omgaan met medische gegevens’ (2010) was op de berichtgeving door verweerder aan de medisch adviseur de volgende norm toepasselijk: De behandelend arts beperkt zich tot het beantwoorden van de gerichte vragen waarbij hij slechts relevante medische informatie van feitelijke aard verstrekt. Op vragen van oordelende aard geeft een behandelend arts geen antwoord. De arts dient zich immers te onthouden van het geven van oordelen of conclusies. Door zowel in zijn brief van 1 december 2011 als in zijn brief van 2 maart 2012 met betrekking tot klager een percentage van arbeidsgeschiktheid te noemen heeft verweerder een oordeel gegeven en daarmee gehandeld in strijd met deze richtlijn. Dit geldt temeer nu het verweerder bekend was dat de medisch adviseur die hem om informatie had gevraagd optrad namens een verzekeraar in het kader van de arbeidsongeschiktheid van klager. Daarmee had verweerder zich moeten realiseren dat het geven van een dergelijk oordeel potentieel verstrekkende gevolgen voor klager zou kunnen hebben en de arts-patiënt-relatie ernstig verstoord kon raken. Onder deze omstandigheden valt verweerder van dit optreden tuchtrechtelijk een serieus verwijt te maken. Anders dan klager vindt het College niet dat verweerder in de gegevensverstrekking aan de medisch adviseur onvolledig is geweest. Immers de medisch adviseur trad op naar aanleiding van de arbeidsongeschiktheid als gevolg van het opgetreden hartinfarct, zodat het aan verweerder was om te beoordelen welke de relevante medische gegevens waren. Blijkens het medisch dossier was bovendien slechts sprake van een geringe longproblematiek. In het licht daarvan mocht verweerder volstaan met de medische gegevens die in de brieven zijn opgenomen. Het College oordeelt niet over de vraag of verweerder jegens klager onrechtmatig handelen of nalaten kan worden verweten en evenmin of daaruit al of niet schade voor klager is ontstaan. Dat zijn vragen van civielrechtelijke aard, waarvoor de tuchtprocedure zich niet leent.
 
5.3 De conclusie is dat de klacht voor het eerste onderdeel gegrond is. Verweerder had behoren te volstaan met het  - met toestemming van klager - verstrekken van uitsluitend objectieve medische informatie zoals vastgelegd in het medisch dossier. Door daarnaast een oordeel over klagers arbeidsongeschiktheid te geven heeft verweerder de grenzen van zijn kundigheid als beroepsbeoefenaar overschreden. Het College acht de hierna te noemen maatregel daarom passend. 
LS&R 1169

Orthopedisch chirurg zorgt niet voor een adequate behandeling

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Gravenhage 25 augustus 2015, LS&R 1169 (Klacht tegen orthopedisch chirurg)
Klaagster verwijt de orthopedisch chirurg dat er een verkeerde diagnose is gesteld. Dat er is nagelaten om klager te volgen en te begeleiden in de verschillende stappen van de verschillende diagnostische activiteiten. En dat er sprake is van een onvolledige en slecht leesbare decursus. Alle klachtonderdelen zijn gegrond. De orthopedisch chirurg heeft met zijn opstelling en handelwijze niet voor een adequate behandeling van klaagster gezorgd. Hierdoor heeft hij in strijd gehandeld met de zorg die hij ten opzichte van patiënt behoorde te betrachten. Maatregel van berisping is passend.

5.1       eerste en tweede klachtonderdeel
Verweerder heeft met zijn eerste diagnose ‘bursitis trochanterica en een milde coxartrose van de linkerheup’ en zijn tweede diagnose ‘lage rug- en beenpijn rechts op basis van radiculopathie bij degeneratief SI-gewricht rechts’ geen juiste diagnose gesteld. Uit de röntgenfoto’s blijkt bij herhaling dat de rug van klaagster in slechte conditie verkeerde en dat er ernstige degeneratieve afwijkingen waren. Al in 2012 was er sprake van een gevorderde coxartrose beiderzijds. Dit blijkt echter niet uit de decursus en de brieven van verweerder aan de huisarts van klaagster. Uit de decursus blijkt evenmin dat verweerder bij zijn diagnose heeft overwogen dat er sprake was van coxartrose en een ‘hip-spine-dilemma’, zoals hij in zijn verweer stelt en ter zitting heeft herhaald. Ondanks dat verweerder heeft aangegeven dat hij ervoor had gekozen zich eerst te richten op maximale behandeling van de rugklachten en pas later op de heupklachten rechts, heeft hij bij beide consulten geen vervolgconsult voor klaagster ingepland. Zowel bij het eerste als bij het tweede consult had hij het initiatief daartoe moeten nemen zodat hij zich ervan kon vergewissen of de behandelingen door de specialisten naar wie hij klaagster had verwezen, tot verbetering hadden geleid. Aan de hand van het resultaat van die diagnostiek en behandelingen had verweerder een eventuele vervolgbehandeling moeten bepalen. Voor zover verweerder inderdaad bij het tweede consult aan een hip-spine-dilemma heeft gedacht, had hij deze overweging op 7 oktober 2013 aan de pijnspecialist moeten meedelen. Het College merkt nog op dat verweerder er niet toe over had mogen gaan klaagster naar een neuroloog te verwijzen zonder dat hij haar tevoren had gezien. Dit geldt zeker nu het laatste consult van ruim een half jaar vóór de verwijzing dateerde.
Het College is van oordeel dat verweerder de diagnoseprocedure niet goed heeft uitgevoerd door het ontbreken van een goed behandelplan en opvolging. De klachtonderdelen zijn gegrond.
 
5.2       derde klachtonderdeel
Het College is van oordeel dat het handschrift in de decursus zeer slecht leesbaar is terwijl deze de basis en geheugensteun voor de verdere behandeling is en ook bedoeld is voor de opvolgende behandelaar. Voorts heeft het College geconstateerd dat de decursus – voor zover deze leesbaar is – onvolledig is. Uit de decursus en correspondentie blijkt niet welke overwegingen verweerder heeft gehad, dat hij heeft gedacht aan een hip-spine dilemma (wat essentieel is voor een adequate behandeling), wat zijn behandelplan was en een beschrijving van de nieuwe foto van de heup (aan de hand waarvan de progressie van de artrose goed gezien had kunnen worden). Dit klachtonderdeel is gegrond.
 
5.3       Verweerder heeft met zijn opstelling en handelwijze niet voor een adequate behandeling van klaagster gezorgd. Hierdoor heeft hij in strijd gehandeld met de zorg die hij ten opzichte van patiënte behoorde te betrachten zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg en daarmee in strijd heeft gehandeld met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg zoals bedoeld in artikel 47, tweede lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. De klacht is dan ook gegrond.
 
5.4       Het geheel overziend is het College van oordeel dat de maatregel van berisping passend is.
 
LS&R 1164

Ontzegging inschrijving BIG register door verstoring professionele zorgverleningsrelatie

Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 20 augustus 2015, LS&R 1164 (X tegen Verpleegkundige)
Klacht tegen verpleegkundige. De aangeklaagde verpleegkundige was werkzaam in de thuiszorg. Hij heeft zowel bij een cliënte met de ziekte van Huntington als bij een cliënte die leed aan een vorm van dementie meerdere malen seksueel grensoverschrijdend vertoond. Hij is hiervoor strafrechtelijk veroordeeld tot ontzetting van het recht om beroepen in de gezondheidszorg/maatschappelijke zorg uit te oefenen voor de duur van 3 jaar. Voorts is de inschrijving in het BIG register inmiddels verlopen. De Inspectie verwijt de aangeklaagde verpleegkundige te handelen in strijd met de eerste tuchtnorm door overschrijding van de grenzen van de professionele zorgverleningsrelatie t.o.v. aan zijn zorgen toevertrouwde cliënten door zich meerdere malen schuldig te maken aan seksueel grensoverschrijdend gedrag. Het regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht gegrond, zonder oplegging van maatregel. Het hoger beroep van de Inspectie is gericht tegen de omstandigheid dat het Regionaal Tuchtcollege heeft nagelaten een maatregel op te leggen. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de bestreden beslissing voor zover het Regionaal Tuchtcollege heeft nagelaten een maatregel op te leggen en legt de verpleegkundige opnieuw rechtdoende de maatregel op van ontzegging van het recht om weer in het register te worden ingeschreven.

Beoordeling hoger beroep
4.4 Zoals het Centraal Tuchtcollege heeft overwogen in de uitspraak van 10 april 2014 nr. C2013.226 (ECLI:NL:TGZCTG:2014:126) onderkent het College dat degene aan wie een tuchtmaatregel wordt opgelegd deze maatregel als een straf ervaart als gevolg van de met de maatregel noodzakelijkerwijs gepaard gaande toevoeging van leed en mogelijk ander nadeel. Hoewel verzachtende omstandigheden kunnen worden meegewogen om een lichtere maatregel op te leggen die minder leed en nadeel toevoegt, moet bij de keuze van de in het gegeven geval meest passende en geboden maatregel de preventieve effectiviteit van de op te leggen maatregel leidend zijn. Dat wil zeggen: een maatregel die in de gegeven omstandigheden en gelet op de aard en de ernst van de aan de aangeklaagde tuchtrechtelijk verweten gedragingen naar verwachting het meeste effect zal sorteren om herhaling van dat gedrag te voorkomen. Dit betekent dat verzachtende omstandigheden, die grond vormen om leedtoevoeging die met de maatregel gepaard gaan te beperken, bij de keuze van de op te leggen maatregel weliswaar kunnen meewegen maar niet voorop behoren te staan.

4.5 Toegespitst op de gedragingen van de soort die in de onderhavige zaak aan de verpleegkundige worden verweten, wordt het volgende overwogen. Uit een oogpunt van een adequate zorgverlening door zorgverleners die integer en betrouwbaar dienen te zijn    voor de – zich veelal in een kwetsbare positie bevindende – zorgbehoevenden, zijn naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege de aan de verpleegkundige verweten gedragingen zodanig strijdig met hetgeen van een integere en betrouwbare zorgverlener verwacht mag worden, dat een maatregel passend en geboden is die erop gericht is om te voorkomen dat zorgbehoevenden nog verder aan dat gedrag van die zorgverlener worden blootgesteld. 

4.7 Vast staat dat de inschrijving van verweerder in het BIG-register met ingang van 11 januari 2014 is beëindigd doordat verweerder geen gehoor heeft gegeven aan de oproep tot herregistratie. Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het Centraal Tuchtcollege ervan overtuigd geraakt dat verweerder voordien al actief getracht heeft zijn registratie in het BIG-register ongedaan te maken, doch dat hij hierin vanwege redenen die buiten zijn macht lagen niet geslaagd is. Ter terechtzitting heeft verweerder, die zich kwetsbaar en coöperatief opstelde, verklaard nooit meer als zorgverlener in contact te willen komen met patiënten. Tevens heeft hij verklaard geen bezwaar te hebben tegen een maatregel inhoudende de ontzegging van het recht om wederom in het register te worden ingeschreven. Zijn enige bezwaar betreft de publicatie van de beslissing. 

4.8 Met inachtneming van de hiervoor onder 4.4 en 4.5 weergegeven uitgangspunten, en gelet op de persoonlijke omstandigheden van verweerder, zoals zijn leeftijd en zijn perspectieven op de arbeidsmarkt, die ten opzichte van de norm die hij geschonden heeft van onvoldoende gewicht zijn, is naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege het opleggen van de zwaarste maatregel in dit geval passend en geboden. Daarbij is in aanmerking genomen dat sprake is geweest van zeer ernstig grensoverschrijdend gedrag van verweerder jegens zeer kwetsbare patiënten waardoor het vertrouwen in hem als zorgverlener ernstig is geschaad. Ook heeft hij met zijn handelen het vertrouwen in de beroepsgroep beschaamd. Voorkomen dient te worden dat verweerder zich op enig moment weer kan laten inschrijven in het register. Mede gelet op het bepaalde in artikel 48, derde lid, van de Wet BIG zal verweerder dan ook de maatregel van ontzegging van het recht om weer in het register te worden ingeschreven worden opgelegd.
LS&R 1157

Berisping internet vanwege niet controleren Hb-gehalte

Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 23 juni 2015, LS&R 1157; ECLI:NL:TGZRAMS:2015:74 (A tegen Internist C)
Darmtumor en trombose. Internist C heeft in strijd met de zorgvuldigheid die zij jegens H behoorde te betrachten gehandeld door het Hb-gehalte van H niet te controleren waardoor de darmtumor pas 5 maanden later werd ontdekt. Daarnaast heeft de internist bewust het risico genomen op hervatting van trombose. Beide klachten van A zijn gegrond verklaard. Internist C heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij ingevolge art. 47 lid 1 onder a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Gezien de ernst van de gegrond bevonden klachtonderdelen acht het College de maatregel van berisping passend. 

LS&R 1135

Vragen over verjaringstermijn beroep subsidiepot van laboratorium

Prejudiciële vraag HvJ EU 24 april 2015, LS&R 1135; zaak C-268/15 (Biorim tegen Ministerie van VWS)
Verzoeker Fernand Ullens de Schooten exploiteert een laboratorium voor klinische biologie in de vorm van een vennootschap (‘BIORIM’). Omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor erkenning door BEL MinVWS komt hij niet in aanmerking voor een tegemoetkoming uit een subsidiepot. Die voorwaarden zijn vastgesteld omdat de overheid het wenselijk acht dat laboratoria worden geëxploiteerd door personen die gemachtigd zijn om verstrekkingen van klinische biologie te verrichten (artsen, apothekers, licentiaten in de scheikunde). Verzoeker wordt in 1989 strafrechtelijk vervolgd omdat hij, om de voorschriften te omzeilen, een frauduleuze bedrijfsconstructie zou hebben opgezet. De biologen voldoen weliswaar aan de reglementaire voorwaarden maar zouden slechts ‘stromannen’ zijn en de feitelijk exploitatie is in handen van verzoeker.

Verzoeker heeft al in 1985 een klacht bij de EURCIE ingediend dat de regeling in strijd is met artikel 52 EEG. Daaruit is de zaak C-221/85 CIE/BEL voortgekomen (Beroep EURCIE wordt verworpen op grond dat iedere EULS, zolang hij het beginsel van gelijke behandeling van zijn onderdanen en die van andere EULS maar in acht neemt, bij gebreke van gemeenschapsregels ter zake, vrij is om op zijn grondgebied de werkzaamheid te regelen van laboratoria die verstrekkingen van klinische biologie verrichten). In 1998 wordt verzoeker tot vijf jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf + geldboete veroordeeld en worden de door civiele partijen (ziekenfondsen) ingestelde vorderingen toegewezen. In beroep (december 2000) wordt de onvoorwaardelijke straf in een voorwaardelijke omgezet, de boete verlaagd en de civiele vorderingen ongegrond verklaard. In cassatie worden de civiele beroepen wel toegewezen (het strafrechtelijk deel wijzigt niet). Verzoekers voorstel tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het HvJEU wordt afgewezen. De zaak terugverwezen naar Hof van Beroep Bergen. Daar worden de civiele vorderingen gedeeltelijk gegrond verklaard. De door verzoeker aangevoerde strijdigheid met EUrecht wordt afgewezen op grond van gezag van gewijsde van het arrest van het Hof Brussel. De zaak komt weer bij de cassatierechter (juni 2006), maar wordt verworpen en ook verzoekers vraag om een prejudicieel advies aan het HvJEU voor te leggen wordt weer afgewezen. In een parallel lopende administratieve affaire (schorsing erkenning verzoekers lab) bij de BEL RvS heeft de RvS geoordeeld dat er geen concreet aanknopingspunt met gemeenschapsrecht is. Een prejudiciële vraag aan het BEL Grondwettelijk Hof bevestigt dat oordeel. Verzoeker dient ondertussen opnieuw een klacht in bij de EURCIE die leidt tot een Met redenen omkleed advies in 2002 waarin de EURCIE BEL verwijt dat de gewraakte bepaling in strijd is met artikel 43 EG. De BEL regeling is daarop in mei 2005 aangepast: de erkenningsregeling (op grond waarvan verzoeker is veroordeeld) is afgeschaft. Verzoeker dient dan (april 2007) weer een klacht in bij de EURCIE over schendingen van het gemeenschapsrecht door de BEL staat wegens het handhaven, wat het verleden betreft, van de rechtsgevolgen van de bestreden regeling. Hij daagt in juli 2007 de BEL Staat voor de Rb Brussel, eist vrijwaring van de (financiële) gevolgen van zijn eerdere veroordeling en vergoeding van de immateriële schade die hij heeft geleden doordat hij is veroordeeld voor schending van een wet die niet met het gemeenschapsrecht verenigbaar was. Verweerder verwijt verzoeker de mogelijkheid tot stuiting van de verjaring niet te hebben benut. De Rb verklaart de zaak (voor het grootste deel) niet-ontvankelijk wegens verjaring. De zaak ligt nu voor bij de verwijzende BEL rechter (Hof van Beroep Brussel).
Deze overziet het slagveld en legt het HvJEU de volgende vragen voor:

(1) - Vereist het gemeenschapsrecht en meer bepaald het doeltreffendheidsbeginsel dat in bepaalde omstandigheden, met name die beschreven in punt 38 van dit verwijzingsarrest, de nationale verjaringstermijn van artikel 100 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit, die van toepassing is op een schadevordering van een particulier tegen de Belgische Staat wegens schending van artikel 43 EG-Verdrag (thans artikel 49 VWEU)) door de wetgever, eerst begint te lopen wanneer die schending is vastgesteld, of is het doeltreffendheidsbeginsel in deze omstandigheden integendeel voldoende gewaarborgd doordat deze particulier de mogelijkheid heeft de verjaring te stuiten door het betekenen van een deurwaardersexploot?
(2) - Moeten de artikelen 43 EG, 49 EG en 56 EG en het begrip “zuiver interne situatie”, dat een beroep door een justitiabele op deze bepalingen in het kader van een geding voor een nationale rechter kan beperken, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de toepassing van het [Unie]recht in een geding waarin een Belgisch onderdaan van de Belgische Staat vergoeding verlangt voor schade veroorzaakt door een gestelde schending van het gemeenschapsrecht wegens de vaststelling en handhaving van een Belgische wettelijke regeling als die van artikel 3 van Koninklijk Besluit nr. 143 van 30 december 1982, die zonder onderscheid op de eigen onderdanen en op de onderdanen van andere lidstaten van toepassing is?
(3) - Moeten het beginsel van voorrang van het gemeenschapsrecht en artikel 4, lid 3, VEU aldus worden uitgelegd dat zij niet toelaten dat de regel van het gezag van gewijsde buiten toepassing wordt gelaten wanneer het erom gaat een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing die met het [Unie]recht in strijd blijkt te zijn, opnieuw te onderzoeken of te vernietigen, maar wel toelaten dat een nationale regel inzake het gezag van gewijsde buiten toepassing wordt gelaten wanneer deze regel de rechter zou gebieden op grond van die in kracht van gewijsde gegane maar met het [Unie]recht strijdige rechterlijke beslissing een andere beslissing te nemen waarmee de schending van het [Unie]recht door de eerste rechterlijke beslissing een permanent karakter zou krijgen?
(4) - Kan het Hof bevestigen dat de vraag of de regel van het gezag van gewijsde in het geval van een in kracht van gewijsde gegane, met het [Unie]recht strijdige rechterlijke beslissing buiten toepassing moet worden gelaten in het kader van een verzoek om deze beslissing opnieuw te onderzoeken of te vernietigen, niet zakelijk gelijk is, in de zin van de arresten [Da Costa e.a. (28/62–30/62, EU:C:1963:6) en Cilfit e.a. (283/81, EU:C:1982:335)], aan de vraag of de regel van het gezag van gewijsde in strijd is met het [Unie]recht in het kader van een verzoek om een (nieuwe) beslissing waarmee de schending van het [Unie]recht zou worden herhaald, zodat de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie niet aan haar verplichting tot prejudiciële verwijzing kan ontkomen?
LS&R 1036

Overzicht Tuchtrecht april-november 2014

De redactie beperkt zich tot enkel de gewezen tuchtrecht uitspraken waarin een klacht wordt toegewezen en is voornemens dit onregelmatig te publiceren. De redactie staat open voor uw suggesties voor afwijkingen: redactie@lsenr.nl.

ECLI:NL:TGZRZWO:2014:147 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 028/2014
Klacht tegen bedrijfsarts. Gegrond ter zake van het arbeidsgeschikt verklaren van klager. Ongegrond ter zake van het niet hebben van een klachtregeling. Twijfels over de juistheid van het standpunt van de KNMG en de NVAB met betrekking tot de vraag of de WKCZ van toepassing is op een bedrijfs/verzekeringsarts. Waarschuwing en publicatie.

ECLI:NL:TGZREIN:2014:100 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 14100
Klacht tegen tandarts over onjuist/onvoldoende informeren en techniekfout bij aanbrengen implantaat.Verweerder niet op de hoogte van door behandelend tandarts verricht onderzoek. Verweerder heeft klaagster onvoldoende geïnformeerd. Geen behandelplan. Niet op patiëntenkaart vermeld wanneer welke verrichtingen zijn uitgevoerd. Gegrond. Uit de overgelegde foto’s kan niet worden afgeleid dat het implantaat onjuist is geplaatst. Ongegrond.Bij maatregel drie eerdere tuchtrechtelijke veroordelingen meegewogen. Voorwaardelijke schorsing voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaar.

ECLI:NL:TGZRAMS:2014:111 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2014/029
Klager verwijt de neuroloog dat hij hem een te hoge dosering van een medicijn heeft voorgeschreven. Als gevolg daarvan is klager ineengestort met een hoofdwond tot gevolg waarvoor een opname op de spoedeisende hulp noodzakelijk was. Berisping.

ECLI:NL:TGZRSGR:2014:113 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2013-209
Klager verwijt de neuroloog dat hij hem een te hoge dosering van een medicijn heeft voorgeschreven. Als gevolg daarvan is klager ineengestort met een hoofdwond tot gevolg waarvoor een opname op de spoedeisende hulp noodzakelijk was. Berisping.

ECLI:NL:TGZRAMS:2014:110 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2013/299
Klaagster klaagt over de behandeling van haar overleden moeder, hierna patiënte genoemd. Klaagster verwijt de specialist ouderengeneeskunde dat zich te afwachtend heeft opgesteld ten aanzien van patiënte bij wie zij een longontsteking heeft gediagnosticeerd. Patiënte is hierdoor te laat naar het ziekenhuis ingestuurd alwaar zij is overleden. Ongegrond.

ECLI:NL:RBGEL:2014:7266 Rechtbank Gelderland, 19-11-2014, 257302
Koop van standaard softwareapplicaties waarvan de samenstelling van onderdelen op de wensen van koper (eiseres) is afgestemd. Eiseres heeft onvoldoende gesteld voor de conclusie dat gedaagde is tekortgeschoten in de nakoming en dat dit grond was voor ontbinding. Niet gebleken van tijdige en concrete klachten over het geleverde. Geen verzuim.

ECLI:NL:TGZRSGR:2014:108 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2013-262
Klacht tegen een plastisch chirurg. Niet is vast komen te staan dat de arts aan zijn informatieplicht over de ingreep en daarmee verbonden risico’s heeft voldaan: Beweringen arts niet gestaafd door enige aantekening in de status en ontkend door klaagster. De arts kon in redelijkheid besluiten tot de ingreep gelet op onder meer de ernst van de klachten en de duur ervan. Van de operatie had een apart verslag moeten worden opgemaakt, nu klaagster de ingreep onder algehele anesthesie heeft ondergaan. Niet kon worden volstaan met aantekeningen in de decursus en verslaglegging in het EPD. De aantekeningen van de ingreep in de decursus zijn, voor zover zij het vakgebied van de arts betreffen, summier, maar niet kan worden gezegd dat er onvoldoende inhoudelijk verslag is gedaan. Tot slot is niet gebleken dat de arts de bedoeling heeft gehad om klaagster te misleiden met het achteraf opstellen van een operatieverslag. Klacht deels gegrond. Waarschuwing.

ECLI:NL:TGZRZWO:2014:143 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 065/2014
Klaagster verwijt huisarts en AIOS nalatig en onprofessioneel handelen, het missen van de diagnose diabetes mellitus en het niet insturen naar het ziekenhuis voor aanvullend onderzoek. Het college oordeelt dat het de huisarts en de AIOS niet tuchtrechtelijk te verwijten is dat zij niet bedacht waren op de waarschijnlijkheidsdiagnose diabetes mellitus type 1. Wel tuchtrechtelijk verwijtbaar is de verantwoordelijkheid ten aanzien van lichamelijk onderzoek en rapportage bij dit tweede bezoek aan een arts in korte tijd. Naar vaste jurisprudentie ligt de verantwoordelijkheid voor het handelen van de AIOS in casu bij de huisarts als opleider. Waarschuwing.

ECLI:NL:TGZRSGR:2014:107 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2014-052
Klacht tegen een orthopedisch chirurg. Onjuiste uitvoering van een operatie van de hallux valgus. Bij beoordeling wordt mede acht geslagen op de geboden voorlichting en nazorg als onlosmakelijk verbonden onderdelen van een operatie. In het dossier ontbreken duidelijke aantekeningen waaruit kan worden afgeleid dat klaagster is gewezen op het risico van artrose en op in acht te nemen (leef)maatregelen.  Geen aanwijzingen voor de aanname dat de operatie onzorgvuldig is uitgevoerd. Wijze waarop nazorg is verleend is wel onzorgvuldig en verwijtbaar. Klacht gegrond voor zover het de voorlichting en nazorg betreft. Voor het overige ongegrond. Waarschuwing.                 

ECLI:NL:TGZREIN:2014:95 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1477a
Internist wordt verweten dat hij de bevindingen van de radioloog, te weten levermetastasen, als vaststaand aan klaagster heeft medegedeeld, geen twijfels heeft gehad, geen nader onderzoek heeft gedaan en klaagster, gelet op de beperkte levensduurverwachting, voor nazorg naar de huisarts had verwezen, terwijl uit later onderzoek is gebleken dat er slechts sprake was van leververvetting. College oordeelt dat internist enige twijfel had kunnen en moeten hebben en controlemaatregelen had moeten nemen. Gedeeltelijk gegrond. Waarschuwing en publicatie.

ECLI:NL:TGZREIN:2014:93 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1497
Verpleegkundige wordt grensoverschrijdend gedrag, zowel algemeen als seksueel, verweten alsmede onvoldoende zelfreflectie.Het repeterend seksueel grensoverschrijdend gedrag is voldoende komen vast te staan. De (proces) houding van verweerder waaronder leugenachtig overkomende verklaringen, maken de ontkennende verweren niet bepaald aannemelijk. Ook poging tot seksuele intimidatie via Facebookberichten vormt bevestiging dat verweerder als hulpverlener gevaar oplevert. Doorhaling en publicatie.

ECLI:NL:TGZRAMS:2014:102 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2013/385F
Klaagster, een hoogbejaarde patiënte die in de praktijk van verweerder van de loopband is geslingerd en hierbij ernstig heeft verwond, verwijt verweerder in de kern dat hij als praktijkhoudend fysiothereut geen veiligheidsmaatregelen heeft getroffen voor  het gebruik van de loopband, waardoor dit ongeval heeft kunnen gebeuren. Gegrond, waarschuwing.

ECLI:NL:TGZRAMS:2014:103 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2014/166F
Klaagster verwijt verweerder dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan seksueel grensoverschrijdend gedrag. Gegrond, berisping.

ECLI:NL:TGZRSGR:2014:101 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2014-001
Klacht tegen een psychotherapeut. Klachtonderdelen onprofessionele behandeling en onprofessioneel en grensoverschrijdend gedrag gegrond. Geen sprake van misbruik van de positie als psychotherapeut, maar van excessieve contacten en bovenmatige betrokkenheid die een professionele behandelrelatie overstegen, waardoor klaagster in een regressieve toestand is geraakt en de regie over haar leven uit handen heeft gegeven.  Er blijkt niet van een behandelplan na gedegen anamnese, (regelmatige) evaluaties van de behandelingen en van het eventueel bijstellen van de therapie. Verwijzing van klaagster was op zijn plaats geweest. Geen aanwijzingen dat de psychotherapeut op basis van haar bevindingen destijds niet tot de diagnose heeft kunnen komen. Niet gebleken van schending van beroepsgeheim. Geen aanknopingspunten voor betrokkenheid klaagster bij de financiële afwikkeling met de verzekeraar. Berisping.

ECLI:NL:TGZRSGR:2014:103 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2014-017
Klacht tegen een psychotherapeut ter zake van het indienen van declaraties bij de verzekeraar terwijl van een behandelrelatie geen sprake was. Niet is gebleken van een behandelrelatie. Geen aanwijzingen voor fraude. Niet vast te stellen of er sprake is geweest van titelmisbruik. Klacht deels gegrond. Waarschuwing.

ECLI:NL:TGZREIN:2014:91 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 13190d
Gynaecoloog wordt verweten dat hij tot tweemaal toe heeft besloten een IUI-behandeling uit te voeren terwijl een zwangerschap bij klaagster na die behandeling zo goed als onmogelijk was. De eerste IUI-behandeling is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, de tweede IUI-behandeling wel. Gegrond. Gelet op de intentie van verweerder geen maatregel.

ECLI:NL:TGZCTG:2014:335 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2014.061
De huisarts had een urineweginfectie niet zonder meer mogen uitsluiten bij het ontbreken leukocyten in de urine. De huisarts had in zijn overwegingen mee moeten nemen dat klager mogelijk een urineweginfectie had en had dit ook in zijn verslaglegging moeten neerleggen. Dit geldt naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege temeer nu de huisarts tijdens het consult geen andere duidelijke diagnose stelde. Juist bij het ontbreken van een duidelijke diagnose had de optie van een urineweginfectie niet uitgesloten mogen worden en had de huisarts deze mogelijkheid moeten vastleggen. Hierbij acht het Centraal Tuchtcollege voorts van belang dat vooral bij een behandeling op een huisartsenpost van belang is dat een opvolgend behandelaar inzicht heeft in de overwegingen van de voorgaande behandelaar.

ECLI:NL:TGZCTG:2014:330 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2013.442
Een verzekeringsarts van het UWV heeft de aangeklaagde psychiater verzocht om klager te onderzoeken in het kader van de beoordeling van zijn arbeids(on)geschiktheid. Met de verzending van de rapportage is iets mis gegaan. De klacht houdt –zakelijk weergegeven– in dat de psychiater: 1. klager niet de gelegenheid heeft geboden om op een doelmatige wijze gebruik te maken van het inzage- en correctierecht; 2. op onvoldoende zorgvuldige wijze tot een (gewijzigde) diagnose is gekomen. Daarbij heeft klager erop gewezen dat in 2010 door GGZ de diagnose dysthyme stoornis en ADD is gesteld; en 3.onjuist en onzorgvuldig handelt door de beslissing van de klachtencommissie te negeren. Het RTG oordeelt de klacht deels gegrond (1 en 2) en legt de psychiater de maatregel van waarschuwing op. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing wat betreft het eerste klachtonderdeel en verwerpt het beroep voor het overige. De in eerste aanleg opgelegde waarschuwing blijft gehandhaafd.

ECLI:NL:TGZRSGR:2014:100 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2013-308c
Klacht van de IGZ tegen de maatschap cardiologie/cardioloog C. Tweede tuchtnorm. Het College oordeelt dat er (in ieder geval op onderdelen) sprake was tekortkomingen in de organisatie van geleverde zorg en samenwerking binnen de maatschap. Onduidelijke verantwoordelijkheidsverdeling; onzorgvuldige dossiervorming, , onvoldoende en te late communicatie. Het verwijt van onvoldoende professionaliteit van het diagnostisch en therapeutisch handelen kan niet worden beoordeeld op basis van de eerste tuchtnorm en kan niet onder de tweede tuchtnorm worden gebracht. Berisping.

ECLI:NL:TGZRSGR:2014:98 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2013-308a
Klacht van de IGZ tegen de maatschap cardiologie/cardioloog A. Tweede tuchtnorm. Het College oordeelt dat er (in ieder geval op onderdelen) sprake was tekortkomingen in de organisatie van geleverde zorg en samenwerking binnen de maatschap. Onduidelijke verantwoordelijkheidsverdeling; onzorgvuldige dossiervorming, , onvoldoende en te late communicatie. Het verwijt van onvoldoende professionaliteit van het diagnostisch en therapeutisch handelen kan niet worden beoordeeld op basis van de eerste tuchtnorm en kan niet onder de tweede tuchtnorm worden gebracht. Berisping.

ECLI:NL:TGZRSGR:2014:99 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2013-308b
Klacht van de IGZ tegen de maatschap cardiologie/cardioloog B. Tweede tuchtnorm. Het College oordeelt dat er (in ieder geval op onderdelen) sprake was tekortkomingen in de organisatie van geleverde zorg en samenwerking binnen de maatschap. Onduidelijke verantwoordelijkheidsverdeling; onzorgvuldige dossiervorming, , onvoldoende en te late communicatie. Het verwijt van onvoldoende professionaliteit van het diagnostisch en therapeutisch handelen kan niet worden beoordeeld op basis van de eerste tuchtnorm en kan niet onder de tweede tuchtnorm worden gebracht. Berisping.

ECLI:NL:TGZREIN:2014:87 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1450
Neuroloog heeft hersenbloeding gemist door niet alle coupes van de door hem geïnitieerde scan af te wachten, zonder dat daarvoor een deugdelijke grond bestond. Het verweer dat hij het druk had, kan geen excuus vormen. Waarschuwing, met publicatie in Medisch Contact.

ECLI:NL:TGZREIN:2014:85 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1454
Cardioloog van EHH heeft onvoldoende onderzoek gedaan om cardiale problematiek uit te sluiten. Anamnese levert voldoende aanknopingspunten op om in de differentiaaldiagnose (atypische) angina pectoris op te nemen evenals coronairspasme. Patiënt heengezonden zonder enige opvolging. Gegevens uit 2006 en 2007 zijn niet representatief meer. Gegrond: berisping.

ECLI:NL:TGZREIN:2014:86 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1496
Huisarts heeft onvoldoende adequaat gereageerd op de gezondheidstoestand van gedetineerde bij aanmelding en binnenkomst in de PI. Medicatieverstrekking en dossiervoering is onzorgvuldig geweest. College volgt IGZ in haar klacht: alle klachtonderdelen gegrond. Ernstige tekortkomingen, inmiddels is organisatie aangepast en verbeterd. Waarschuwing, met publicatie in Medisch Contact.

ECLI:NL:TGZRAMS:2014:94 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2013/221
Klagers dienen een klacht in over de behandeling van hun overleden zoon, hierna patiënt genoemd. Klagers verwijten de psychiater onder meer dat deze onvoldoende adequaat heeft gereageerd op de signalen en informatie van klagers die hem bereikten over de verslechtering van de toestand van patiënt, waardoor suïcide niet kon worden voorkomen. Ook is ten onrechte geen nader onderzoek gedaan naar het ziektebeeld na de eerdere diagnosestelling en is ten onrechte gestopt met de medicatie en later verkeerde medicatie voorgeschreven. Gegrond, berisping.

ECLI:NL:TGZREIN:2014:82 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1435
Arts-assistent niet zijnde in opleiding tot specialist ouderengeneeskunde wordt verweten onvoldoende onderzoek te hebben gedaan bij patiënte en het verzoek om bloed te prikken te hebben genegeerd waardor de lichamelijke problemen van patiënte te laat zijn onderkend. Het ontbreken van een systematische werkwijze in de kliniek kan verweerder niet worden aangerekend.  Reactieve opstelling van verweerder, onvoldoende deugdelijk algemeen onderzoek en dossierstudie. Waarschuwing.

ECLI:NL:TGZREIN:2014:83 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1440
Tijdens weekendconsult aan HAP ontstaat vervelende sfeer als huisarts vraagt waarom patiënte niet eerder naar de eigen huisarts is gegaan en hij vervolgens uitleg over de rol van de HAP geeft. Voorts heeft huisarts onvoldoende onderzoek gedaan/laten doen waardoor verkeerde diagnose is gesteld. Gelet op hetgeen patiënte aan huisarts heeft medegedeeld behoefde huisarts geen nadere uitleg te geven over de rol van de HAP. Het niet onderkennen van de diagnose longembolie is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Wel verwijtbaar is dat hij onvoldoende onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan. Waarschuwing.

ECLI:NL:TGZREIN:2014:84 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 13214a
Dermatoloog wordt onder meer verweten dat hij klager niet heeft ingelicht over de werkelijke mogelijke bijwerkingen van de behandeling, geen nazorg heeft verleend, de behandelrelatie heeft opgezegd en zonder toestemming van klager gegevens uit het medisch dossier naar psycholoog en huisarts van klager gestuurd. Geen informed consent. Geen gewichtige reden om behandelrelatie te beëindigen. Verweerder had zich als niet-behandelaar moeten onthouden van het doen van uitlatingen richting de behandelaren van klager. Deels gegrond. Berisping.

ECLI:NL:TGZRZWO:2014:131 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 319/2013
Klacht tegen apotheker over levering van voedingssupplementen door echtgenote van de apotheker.Klacht gegrond. Het college legt een berisping op waarbij naast het tekortschieten met betrekking tot de leveringen, communicatie over uitblijvende leveringen en de dubbele facturen vooral de organisatorische verwevenheid van de apotheek met de verkoop van voedingssupplementen bepalend is. Naar buiten toe is die verwevenheid evident, nu met betrekking tot dit product de suggestie wordt gewekt dat het 'van de apotheek komt', waarmee meegelift wordt op de bij apothekers bestaande kwaliteitsnormen, terwijl verweerder geen enkele verantwoordelijkheid wenst te nemen voor de activiteiten van zijn echtgenote die (mede) onder de vlag van de apotheek worden verricht.

ECLI:NL:TGZRZWO:2014:130 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 043/2013

Klacht tegen tandarts. Gebrek in communicatie over kosten van herstel in verband met eerder gemaakte fout van tandarts. Waarschuwing.

ECLI:NL:TGZRZWO:2014:136 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 242/2013

Klacht gegrond; waarschuwing Huisarts had geen Thyrax voor mogen schrijven wegens verdenking van een traag werkende schildklier op basis van de TSH en fT4 waarden. Bij een TSH kleiner dan 6 mU/l is de kans op klinische hypothyreoïdie niet verhoogd ten opzichte van euthyreoïdie.De TSH en fT4 waarden verklaarden het oedeem bij de jonge patiënt niet. Er was een evidente discrepantie tussen de TSH/T4 uitslag en de kliniek. Verweerder had attent moeten zijn op het lage eiwit en albuminegehalte waarvan de uitslagen waren voorzien van een *, hetgeen betekent dat de gevonden waarden afwijkend zijn. Bovendien was de afwijking bij vervolgonderzoek groter geworden.

ECLI:NL:TGZCTG:2014:328 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2013.477

Betreft klacht tegen psychiater nadat patiënte naakt in een separeerruimte is geplaatst. De klacht betreft het ontbreken van cameratoezicht in de separeerruimte en het separeren zonder (scheur)kleding of deken. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond, overwegende dat niet is gebleken dat de zwaarwegende beslissing om naakt te separeren zeer zorgvuldig, weloverwogen én na beoordeling door een psychiater c.q. arts, die klaagster ook daadwerkelijk gezien heeft, tot stand is gekomen en legt de psychiater de maatregel van waarschuwing op. De psychiater komt daartegen in beroep. Het Centraal Tuchtcollege acht het beroep gegrond en verklaart het door het Regionaal Tuchtcollege gegrondverklaarde klachtonderdeel in hoger beroep alsnog ongegrond.

ECLI:NL:TGZRAMS:2014:91 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2014/013

Klager verwijt de neuroloog dat hij zonder zijn toestemming aan het Centraal Bureau Rijvaardigheid schriftelijk heeft geadviseerd aan hem geen rijbewijs te verlenen in verband met zijn neurologische conditie. De neuroloog heeft in deze brief geschreven dat klager op de hoogte is van zijn standpunt hieromtrent en dat deze zijn toestemming voor het verzenden van de brief heeft gegeven, klager betwist dit. Waarschuwing.

ECLI:NL:TGZRZWO:2014:114 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 236/2013

Klacht tegen psychiater. Dwangbehandeling in forensisch psychiatrisch centrum. Vereisten artikel 26 en artikel 16b onder a BVT. I.c. niet aan vereisten voldaan.Berisping.

ECLI:NL:TGZCTG:2014:321 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2013.346

De klacht is gericht tegen een anesthesioloog. Bij patiënt is diagnose longkanker gesteld in de laatste fase. De patiënt is onder behandeling van de pijnpoli van een ziekenhuis waar zijn echtgenote werkzaam is als IC-verpleegkundige. De aangeklaagde anesthesioloog is ook werkzaam in dit ziekenhuis en kende de patiënt persoonlijk. De anesthesioloog heeft nacontact met de verpleegkundige morfinetoediening d.m.v. een perfusorpomp voorgeschreven en in een later stadium toediening van een dormicum m.b.v. een tweede perfusorpomp. De patiënt is inmiddels overleden. De Inspectie verwijt de aangeklaagde anesthesioloog - zakelijk weergegeven - dat hij :  1. de indicatiestelling voor palliatieve sedatie, zoals gedaan door de verpleegkundige, heeft gevolgd uitsluitend op basis van de weergave van de toestand van de patiënt door de verpleegkundige , zonder de patiënt zelf te zien of te spreken. Niet duidelijk is geworden of, en zo ja in hoeverre de patiënt betrokken is geweest bij deze indicatiestelling;  2. heeft meegewerkt aan de uitvoering van palliatieve sedatie door morfine voor te schrijven zonder patiënt te zien of te spreken. Tevens heeft hij met de verpleegkundige overlegd over het toedienen van dormicum (maar stelt in dit verband het recept hiervoor niet te hebben uitgeschreven); 3. in het medisch dossier van de patiënt geen aantekening heeft gemaakt van het telefonisch overleg tussen hem en de verpleegkundige, de besluitvorming en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen; 4. na het overleg met de verpleegkundige en het voorschrijven van de medicatie geen enkele bemoeienis meer heeft gehad met de uitvoering van de palliatieve sedatie en daarbij ook niet aanwezig was; 5. de verpleegkundige niet heeft gewezen op de ”Richtlijn palliatieve sedatie” en de eisen die de richtlijn stelt aan het uitvoeren van de palliatieve sedatie. Het RTG legt de anesthesioloog de maatregel van waarschuwing op alsmede de publicatie van de beslissing zodra zij onherroepelijk is geworden.Het CTG vernietigt de beslissing waarvan beroep voor zover daarbij aan de arts de maatregel van waarschuwing is opgelegd en legt de arts de maatregel van berisping op.

ECLI:NL:TGZRAMS:2014:87 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2013/406T

Klaagster verwijt de tandarts die werkzaam is in een orthodontiepraktijk dat zij op onzorgvuldige wijze behandeld is, waardoor ze te kampen heeft met pijn en ongemak en ten onrechte na de verhuizing van de praktijk niet is overgedragen aan een andere orthodontiepraktijk. Gegrond, gedeeltelijke ontzegging.

ECLI:NL:TGZRAMS:2014:88 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2013/316T

Klaagster dient een klacht in over de behandeling van haar minderjarige zoontje, hierna patiënt genoemd. Klaagster verwijt de tandarts dat hij op onzorgvuldige wijze tandheelkundige zorg heeft verleend aan patiënt, door niet te willen kijken naar de afgebroken linkervoortand van patiënt, maar het consult telefonisch af te doen. Berisping.

ECLI:NL:TGZRSGR:2014:96 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 20013-158a

Klacht van de Inspectie tegen een verpleegkundige dat deze ten onrechte niet de dienstdoende arts heeft geconsulteerd ter zake van een ingeslotene in vreemdelingenbewaring die onlangs een zelfmoordpoging had gedaan en onvolledig verslag heeft gelegd van hetgeen in het gesprek met de ingeslotene aan de orde is geweest.De conclusie op basis van beperkte informatie en het gesprek met de ingeslotene, die een rustige indruk maakte, dat deze naar een gewone cel kon en dat er geen acuut gevaar was heeft een onvoldoende basis. Er is onvoldoende doorgevraagd en onderzoek gedaan en er zijn te snel conclusies getrokken. Een verpleegkundige dient terughoudend te zijn bij de inschatting van de gemoedsgesteldheid van een ingeslotene, omdat dit in beginsel niet tot zijn deskundigheid behoort. Zonder uitgebreide (achtergrond)informatie is een verpleegkundige hiertoe in ieder geval niet bekwaam en bevoegd. Aan de andere kant heeft de organisatie de verpleegkundige met werkzaamheden belast waartoe deze in beginsel niet bevoegd en bekwaam was, terwijl ook is  nagelaten om de verpleegkundige deugdelijk te informeren, terwijl de informatie intern wel beschikbaar was. Klacht gegrond, maar geen oplegging van een tuchtmaatregel

ECLI:NL:TGZRSGR:2014:97 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2013-158b

Klacht van de Inspectie tegen een verpleegkundige dat deze ten onrechte niet de dienstdoende arts heeft geconsulteerd ter zake van een ingeslotene in vreemdelingenbewaring die onlangs een zelfmoordpoging had gedaan en onvolledig verslag heeft gelegd van hetgeen in het gesprek met de ingeslotene aan de orde is geweest.De conclusie op basis van beperkte informatie en het gesprek met de ingeslotene, die een rustige indruk maakte, dat deze naar een gewone cel kon en dat er geen acuut gevaar was heeft een onvoldoende basis. Er is onvoldoende doorgevraagd en onderzoek gedaan en er zijn te snel conclusies getrokken. Een verpleegkundige dient terughoudend te zijn bij de inschatting van de gemoedsgesteldheid van een ingeslotene, omdat dit in beginsel niet tot zijn deskundigheid behoort. Zonder uitgebreide (achtergrond)informatie is een verpleegkundige hiertoe in ieder geval niet bekwaam en bevoegd. Aan de andere kant heeft de organisatie de verpleegkundige met werkzaamheden belast waartoe deze in beginsel niet bevoegd en bekwaam was, terwijl ook is  nagelaten om de verpleegkundige deugdelijk te informeren, terwijl de informatie intern wel beschikbaar was. Klacht gegrond, maar geen oplegging van een tuchtmaatregel.

ECLI:NL:TGZREIN:2014:76 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1484

Klager, zwager van de (overleden) patiënt en wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige zoon van de patiënt, verwijt de huisarts dat zij ondanks vele alarmsignalen niet adequaat heeft ingegrepen en gereageerd op alarmsignalen met betrekking tot de zwaar depressieve patiënt met drankmisbruik en een kort lontje en de zorg voor zijn zoon. De keuzes in de zorg voor de patiënt kunnen de huisarts niet tuchtrechtelijk worden verweten. In de zorg voor de zoon, eveneens haar patiënt, had de huisarts de KNMG Meldcode Kindermishandeling 2012 moeten volgen. De huisarts heeft te lang geprobeerd de problemen zelf op te lossen. Deels gegrond; waarschuwing.


ECLI:NL:TGZREIN:2014:77 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1459a

Klager verwijt de dienstdoende huisarts dat hij onvoldoende zorg heeft betracht jegens patiënte door summier en niet lege artis (zittende houding) buikonderzoek te doen en haar niet meteen naar de neuroloog, maar eerst naar haar eigen huisarts te verwijzen. Patiënte is later die dag overleden aan een septische shock op basis van uitgebreide intestinale ischemie dunne darm. Buikonderzoek onzorgvuldig. Waarschuwing.

ECLI:NL:TGZREIN:2014:79 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1486

Verpleegkundige, werkzaam in de thuiszorg, heeft zich meerdere malen schuldig gemaakt aan seksueel grensoverschrijdend gedrag. Strafrechtelijke veroordeling tot -onder meer- ontzetting van bevoegdheid tot inschrijving reeds ten uitvoer gelegd. Eigen uitschrijving uit BIG-register door verweerder. Klacht gegrond, doch vanwege bijzondere omstandigheden, ziet het college af van het opleggen van verbod tot herinschrijving.

ECLI:NL:TGZREIN:2014:80 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1455

Psychiater heeft zonder klager ooit te hebben gezien of gesproken een derde (dermatoloog) geadviseerd om klagers huisarts en zijn behandelend psycholoog te informeren, met een medicatieadvies. Door zijn telefonische mededelingen aan de dermatoloog heeft verweerder zijn beroepsgeheim geschonden. Waarschuwing.

ECLI:NL:TGZRSGR:2014:89 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2013-104

Klacht tegen een chirurg. Onvoldoende medische redenen aanwezig om bij werkdiagnose aneurysma in avond of nacht echo-onderzoek uit te stellen tot de volgende dag. Na vaststelling aneurysma bij echo was aansluitend CT-scan nodig, omdat ruptuur niet kon worden uitgesloten. Op deze onderdelen klacht gegrond. Ongegrond de klacht over het niet volledig informeren van de zoon van patiënt, nu patiënt zelf voldoende was geïnformeerd. Ook ongegrond de klacht over andere pijnbestrijding dan morfine en over planning tijdstip operatie. Waarschuwing.

ECLI:NL:TGZRSGR:2014:90 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2013-227

Klacht tegen een psychiater over rapport uit 2008 in verband met geschil arbeidsongeschiktheid klager. Diagnose op basis van de DSM-IV-TR-classificatie. De arts kon in redelijkheid niet tot de diagnose ‘nagebootste stoornis’ komen, althans het rapport is op dit punt onvoldoende onderbouwd; hij kon in redelijkheid de diagnose ‘PTSS’ niet afwijzen zonder een uitvoeriger motivering. Wel voldoende argumenten voor de gestelde de diagnose ‘persoonlijkheidsstoornis NAO’. Klacht gedeeltelijk gegrond. Waarschuwing.

ECLI:NL:TGZRZWO:2014:105 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 215/2013

Klager verwijt verpleegkundige schending van het beroepsgeheim en bijdragen aan bewijs tegen hem in het kader van de strafzaak toen de verpleegkundige hem bezocht op het politiebureau in het kader van de crisisdienst. Waarschuwing en publicatie vloeit voort het feit dat de verpleegkundige aan de verbalisant in vertrouwen verstrekte informatie heeft gegeven die valt onder het beroepsgeheim.

ECLI:NL:TGZCTG:2014:299 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2013.427

Klacht tegen verpleegkundige. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ)verwijt de aangeklaagde verpleegkundige dat zij een alcoholprobleem heeft dat zij niet, althans onvolledig onder controle kan krijgen hetgeen ertoe geleid heeft dat zij op diverse momenten haar beroep uitoefende onder invloed van alcohol met alle potentiële gevolgen voor de patiëntenzorg van dien. De verpleegkundige heeft hiermee gehandeld in strijd met de zorg die zij als verpleegkundige behoort te betrachten ten opzichte van de aan haar zorg toevertrouwde patiënten. Het RTG besluit tot doorhalingvan de inschrijving in het BIG-register met publicatie nadat de beslissing onherroepelijk is geworden . Het Centraal Tuchtcollege vernietigt deze beslissing en besluit de verpleegkundige voorwaardelijk te schorsen voor de periode van een jaar met een proeftijd van twee jaar.

ECLI:NL:TGZCTG:2014:306 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2012.458

Klacht tegen een cardio thoracale chirurg. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het principaal hoger beroep dient te worden verworpen en dat het incidenteel hoger beroep slaagt, voor zover het Regionaal tuchtcollege de klachtonderdelen 7 en 10 gegrond heeft verklaard. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de chirurg voor de gegrond verklaarde klachtonderdelen de maatregel van waarschuwing opgelegd. Alhoewel het Centraal Tuchtcollege in het incidenteel hoger beroep minder klachtonderdelen gegrond heeft bevonden, acht ook het Centraal Tuchtcollege deze maatregel passend en geboden gezien het tuchtrechtelijk verwijt dat de chirurg is te maken.

ECLI:NL:TGZRSGR:2014:86 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2013-259

Klacht tegen een verzekeringsarts dat hij geen zorgvuldige anamnese heeft verricht. De arts had eerst medische informatie moeten opvragen bij de behandelende sector alvorens hij een oordeel kon vormen over de beperkingen van klager. Nu hij dit heeft nagelaten heeft hij zijn conclusie in zijn onderzoeksverslag onvoldoende onderbouwd. Waarschuwing.

ECLI:NL:TGZRZWO:2014:104 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 188/2013

Klacht tegen gynaecoloog. Kind overleden bij bevalling. Te afwachtend beleid bij in beginsel vaginale bevalling met bijstimulering bij een kind in onvolkomen stuitligging met verslechterende CTG’s. OK-team ten onrechte niet stand by laten staan, waardoor vertraging voordat sectio kon plaatsvinden. Berisping.

ECLI:NL:TGZRSGR:2014:83 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2013-212

Klacht van de Inspectie tegen een GZ-psycholoog. De psycholoog heeft volgens eigen werkwijze en niet conform de geldende beroepsnormen, protocollen/richtlijnen en wettelijke verplichtingen gehandeld. De diagnostiek en behandeling niet duidelijk onderscheiden. Niet direct een plan van aanpak opgesteld en geïnformeerd wanneer patiënte een tweedelijns behandeling zou kunnen krijgen en tot die tijd de behandelperiode op een deskundige wijze overbrugd. Niet direct met de huisarts van patiënte overlegd over haar toestand. De problematiek van patiënte niet systematisch in kaart gebracht. De wijze van behandeling  niet afgestemd op de draagkracht van patiënte. Dossiervoering zwaar onder de maat. Na stopzetting van de behandeling door patiënte de bevindingen niet aan de huisarts teruggekoppeld. Eerder gegronde uitspraken door het College van Toezicht van het NIP. Doorhaling en schorsing met onmiddellijke ingang.

ECLI:NL:TGZRZWO:2014:100 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 192/2013

Klacht tegen psychiater betreffende de wijze van het beëindigen behandelingsovereenkomst na een geweldsincident en het opleggen van een terreinverbod. Wijze van beëindiging niet zorgvuldig. Klaagster niet-ontvankelijk terzake van de klacht betreffende terreinverbod. Waarschuwing.

ECLI:NL:TGZRZWO:2014:96 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 087/2013

Patiënt met schouderklachten na val met gestrekte armen. Huisarts zit in groepspraktijk. Patiënt eerst door collega gezien: diagnose bursitis. Volgend consult bij verweerster.Niet gebleken van voldoende adequaat anamnestisch en lichamelijk onderzoek door verweerster. Zij heeft de gestelde diagnose zonder duidelijk geworden onderzoek en/of overwegingen gehandhaafd. Evenmin blijkt niet van enig beleid ten aanzien van begeleiding van patiënt.Voorts heeft verweerster, zonder klager te zien en zelf te spreken, een tweede corticosteroïd injectie geadviseerd nadat klager telefonisch contact met de assistente had.

ECLI:NL:TGZRZWO:2014:97 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 276/2013

Verweerder is ca. 1 dag per week als arts werkzaam in huisartsenpraktijk. Verricht daar werkzaamheden, onder meer het geven van corticosteroïd injecties na verwijzing door huisarts. Ondanks eigen verantwoordelijkheid voor toediening corticosteroïd injectie, mocht verweerder in beginsel afgaan op het door de verwijzer ingezette beleid. Pas als voorafgaand aan het geven van de injectie is gebleken van feiten of omstandigheden die hem er van hadden moeten weerhouden zulks te doen, zou van verwijtbaar handelen sprake kunnen zijn. Dat is gesteld noch gebleken. Verweerder heeft van de (tweede) toediening van een corticosteroïd injectie, noch ter zake van het door hem gestelde voorafgaande onderzoek, noch ter zake van de gegeven injectie, notities gemaakt. Verweerder is daardoor, alsook door in de status niets te noteren, in tuchtrechtelijke zin te kort geschoten.

ECLI:NL:TGZRZWO:2014:98 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 277/2013

Klacht gegrond: wa