DOSSIERS
Alle dossiers

procesrecht  

LS&R 2397

Rb Gelderland: zorgpremievordering verjaard omdat ontvangst stuitingsbrieven niet vaststaat

Rechtbank Gelderland 21 jan 2026, LS&R 2397; ECLI:NL:RBGEL:2026:2599 ((Menzis tegen [gedaagde])), https://www.lsenr.nl/artikelen/rb-gelderland-zorgpremievordering-verjaard-omdat-ontvangst-stuitingsbrieven-niet-vaststaat

Rb. Gelderland 21 januari 2026, LS&R 2397; ECLI:NL:RBGEL:2026:2599 (Menzis tegen [gedaagde]). De kantonrechter van de Rechtbank Gelderland heeft geoordeeld dat de vordering van Menzis tot betaling van achterstallige zorgpremies is verjaard. Hoewel Menzis meerdere schriftelijke aanmaningen en e-mails heeft verstuurd, staat niet vast dat deze [de gedaagde] hebben bereikt. Daardoor is de verjaring niet tijdig gestuit en wordt de vordering afgewezen. Tussen Menzis en [de gedaagde] bestond in de periode van 27 maart 2017 tot en met 23 november 2017 een zorgverzekeringsovereenkomst. De premie bedroeg € 119 per maand. Volgens Menzis heeft [de gedaagde] gedurende zes maanden geen premie betaald, waardoor een achterstand van € 733,83 is ontstaan. Inclusief rente en buitengerechtelijke incassokosten vordert Menzis een bedrag van € 971,18. [de gedaagde] voert aan dat de vordering inmiddels is verjaard en betwist daarnaast dat hij de premie onbetaald heeft gelaten. De kantonrechter stelt voorop dat een rechtsvordering tot nakoming van periodieke betalingen verjaart door verloop van vijf jaar nadat de vordering opeisbaar is geworden. Die termijn kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of een andere schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Vast staat dat [de gedaagde] in ieder geval de brief van 17 september 2018 heeft kunnen ontvangen en dat de brief van 27 mei 2019 de bewindvoerder van [de gedaagde] heeft bereikt. Daarmee is de verjaring op 27 mei 2019 gestuit en is een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar gaan lopen. Centraal staat vervolgens de vraag of Menzis de verjaring tussen 27 mei 2019 en 11 april 2025 opnieuw heeft gestuit. Volgens de kantonrechter rusten de stelplicht en bewijslast daarvan op Menzis. Daarbij geldt dat een verklaring pas werking heeft wanneer deze de geadresseerde heeft bereikt. De kantonrechter verwijst in dit verband naar de maatstaf van de Hoge Raad, inhoudende dat de afzender moet stellen en zo nodig bewijzen dat de verklaring is verzonden, dat deze is verstuurd naar een adres waarvan redelijkerwijs mocht worden aangenomen dat de geadresseerde daar bereikbaar was en dat de verklaring daar is aangekomen.

LS&R 2396

Rb Rotterdam: afgifte medisch dossier kan in kort geding niet via verzoekschrift worden afgedwongen

Rechtbank Rotterdam 23 mrt 2026, LS&R 2396; ECLI:NL:RBROT:2026:3605 (([verzoeker] tegen Veldhuis Kliniek)), https://www.lsenr.nl/artikelen/rb-rotterdam-afgifte-medisch-dossier-kan-in-kort-geding-niet-via-verzoekschrift-worden-afgedwongen

Rb. Rotterdam 23 maart 2026, LS&R 2396; ECLI:NL:RBROT:2026:3605 ([verzoeker] tegen Veldhuis Kliniek). In deze zaak tussen [verzoeker] en Velthuis Kliniek staat de vraag centraal of een patiënt in kort geding via een verzoekschrift afgifte van een volledig medisch dossier kan afdwingen. [verzoeker] verzoekt de voorzieningenrechter om Velthuis Kliniek te bevelen haar volledige medisch dossier, waaronder loggegevens, te verstrekken. Zij baseert haar verzoek op het inzagerecht uit artikel 7:456 BW en op artikel 15 AVG. Volgens [verzoeker] is er sprake van een spoedeisend belang, omdat zij het dossier nodig heeft in een tuchtprocedure bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een verzoek tot afgifte van een medisch dossier niet via een verzoekschriftprocedure in kort geding kan worden ingesteld. Een dergelijke vordering moet worden ingediend bij dagvaarding. Dat geldt ook wanneer er sprake is van spoedeisendheid. Voor een kort geding dat bij dagvaarding wordt ingesteld, geldt bovendien verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat. Voor zover [verzoeker] zich beroept op artikel 15 AVG, leidt dat niet tot een ander oordeel. De verzoekschriftprocedure van artikel 35 UAVG staat uitsluitend open in een bodemprocedure en niet in een kort geding. De voorzieningenrechter onderzoekt vervolgens of aanleiding bestaat om gebruik te maken van de zogenoemde spoorwissel, waarbij een onjuist ingeleide procedure wordt omgezet in de juiste procesvorm. Daarvoor ziet de rechtbank alleen geen aanleiding.

LS&R 2293

Bestuurders hoofdelijk aansprakelijk voor selectieve betalingen ten nadele van schuldeiser Medice

Rechtbank Den Haag 4 mrt 2025, LS&R 2293; ECLI:NL:RBDHA:2025:3194 (Medice tegen gedaagden c.s.), https://www.lsenr.nl/artikelen/bestuurders-hoofdelijk-aansprakelijk-voor-selectieve-betalingen-ten-nadele-van-schuldeiser-medice

Rb. Den Haag 4 maart 2025, LSR 2293; ECLI:NL:RBDHA:2025:3194 (Medice tegen gedaagden c.s.). Medice, een Duitse producent van medicijnen, had een overeenkomst met B-Medical B.V. voor de verkoop van medicijnen in Nederland. B-Medical kwam haar betalingsverplichtingen jegens Medice niet na en keerde in 2021 aanzienlijke managementvergoedingen uit aan haar bestuurders ([gedaagde partij, sub 1] B.V. en [gedaagde partij, sub 2]), terwijl de vordering van Medice onbetaald bleef. Na het faillissement van B-Medical stelde Medice de bestuurders aansprakelijk wegens onrechtmatige selectieve betalingen. Medice vordert in deze schadestaatprocedure hoofdelijke veroordeling van de bestuurders tot betaling van € 342.926,10 aan schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De schade zou volgens Medice gelijk zijn aan haar aandeel in de selectieve betalingen, indien de gelijkheid van schuldeisers was gerespecteerd.

LS&R 1544

Uitspraak ingezonden door Marleen van den Horst en Jaap Bremer, BarentsKrans; Julian Eck, Mark van Gardingen en Jan Pot, Brinkhof; Ricardo Dijkstra, Vondst advocaten.

 

Gelet op bodembeslissingen van ervaren collega octrooi-instanties kan behoorlijk worden getwijfeld over de geldigheid

Rechtbank Den Haag 5 dec 2017, LS&R 1544; ECLI:NL:RBDHA:2017:14319 (Icos tegen Teva; Sandoz en Mylan), https://www.lsenr.nl/artikelen/gelet-op-bodembeslissingen-van-ervaren-collega-octrooi-instanties-kan-behoorlijk-worden-getwijfeld-o

Vzr. Rechtbank Den Haag 5 december 2017, IEF 17330; LS&R 1544; ECLI:NL:RBDHA:2017:14319 (Icos tegen Teva; Sandoz en Mylan). Octrooirecht. Provisionele voorziening. Icos vordert zonder succes provisionele voorziening tot staking van inbreuk op EP 1 173 181 B3 voor de duur van de onderhavige kort gedingen ex 223 Rv. In het VK en Duitsland hebben generieke producenten van tadalafil 'clear the way' procedures gevoerd, het Engelse en Duitse deel van EP 181 zijn nietig bevonden. Gelet op deze bodembeslissingen van ervaren collega octrooi-instanties, alsmede gelet op het feit dat Daugan ook in de onderhavige kort gedingen en in de na te noemen VRO-nietigheidsprocedure ten grondslag is gelegd aan de inventiviteitsaanval, kan ten minste behoorlijk worden getwijfeld over de geldigheid van het Nederlandse deel van het octrooi zodat het opleggen van een provisioneel verbod niet opportuun is. Vorderingen worden afgewezen, aanhouding tot eindvonnis in de meervoudige bodemprocedure tegen TEVA Pharmaceuticals, waarin pleidooi gepland staat op 22 december.

LS&R 1460

Executeur moet medewerking verlenen aan dna-onderzoek overleden fertiliteitsarts door afgifte goederen

Rechtbank Rotterdam 2 jun 2017, LS&R 1460; ECLI:NL:RBROT:2017:4250 (Fertiliteitsarts), https://www.lsenr.nl/artikelen/executeur-moet-medewerking-verlenen-aan-dna-onderzoek-overleden-fertiliteitsarts-door-afgifte-goeder

Vzr. Rechtbank Rotterdam 2 juni 2017, LS&R 1460; ECLI:NL:RBROT:2017:4250 (Fertiliteitsarts) Kort geding. Vermoeden ontstaan dat de (inmiddels overleden) arts zijn eigen sperma heeft gebruikt als donor. Eisers vorderen afgifte van persoonlijke voorwerpen ten behoeve van dna onderzoek naar de overleden fertiliteitsarts. Sprake van spoedeisend belang wordt aangenomen evenals een begin van bewijs dat fertiliteitsarts zijn eigen sperma heeft gebruikt. Niet uit te sluiten valt dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat eisers, na een in hun voordeel uitvallende belangenafweging, een succesvol beroep op artikel 7 IVRK en/of artikel 8 EVRM zal kunnen doen, al dan niet gekoppeld aan het leerstuk van de onrechtmatige daad en de wanprestatie. Er is dus een juridische grondslag voor de vordering die beperkt en onder voorwaarden wordt toegewezen. De executeur zal daarom worden veroordeeld om volledige medewerking te verlenen aan een dna-onderzoek, voor zover dat ziet op afgifte van de beslagen goederen ten behoeve het laten nemen van dna-monsters en het laten testen daarvan.

LS&R 1384

Conclusie mede ingezonden door Thijs van Aerde, Houthoff Buruma, Mark van Gardingen en Jan Pot, Brinkhof.

Conclusie AG: Voor exhibitie van niet technisch inbreukbewijs dient kortgedingdrempel te worden gehanteerd

Hoge Raad 2 sep 2016, LS&R 1384; (Synthon tegen Astellas Pharma), https://www.lsenr.nl/artikelen/conclusie-ag-voor-exhibitie-van-niet-technisch-inbreukbewijs-dient-kortgedingdrempel-te-worden-gehan

Conclusie AG bij HR 2 september 2016, IEF 16318; LS&R 1384 (Synthon tegen Astellas Pharma) Zie eerder IEF 15313. Deze prejudiciële zaak ligt in het verlengde van AIB/Novisem. Daarin is uitgemaakt dat de maatstaf voor een exhibitievordering van IE-bewijsbeslag op de voet van art. 1019a Rv in verbinding met art. 8431 Rv is dat (dreigende) inbreuk voldoende aannemelijk dient te worden gemaakt. Deze zaak onderscheidt zich van dit arrest dat het niet ziet op "technisch inbreukbewijs", maar inzage om te kunnen staven wie de gestelde voorbehouden handelingen verricht(en) en waar en hoe dat gebeurt. De AG meent dat voor de in deze zaak bedoelde tweede categorie (niet technisch inbreukbewijs) een hogere inzagedrempel moet gelden dan voor de eerste.

 

LS&R 1076

Bevoegdheidsincident inzake gemodificeerd aardappelzetmeel

Hof Arnhem-Leeuwarden 17 februari 2015, LS&R 1075; ECLI:NL:GHARL:2015:1148 (X tegen Saudi Aramco)
Bevoegdheid. Procesrecht. [X] produceert en levert gemodificeerd aardappelzetmeel dat gebruikt wordt bij het boren naar olie. Saudi Aramco exploiteert een oliemaatschappij en gebruikt gemodificeerd aardappelzetmeel bij het boren naar olie. Saudi Aramco heeft gebruik gemaakt van gemodificeerd aardappelzetmeel met de productnaam Emfloc MRE, dat geproduceerd is door [X]. Bevoegdheidsincident ex 6 Rv: Forum rei, Forum contractus, Forum delicti, Forum necessitatis, Forum arrest.

Forum rei
Ten aanzien van de in artikel 6 Rv opgenomen gronden voor internationale rechtsmacht geldt dat de wetgever deze heeft ontleend aan artikel 5 EEX-Verordening (Verordening (EG) nr. 44/2001, Pb EG L 12/2001) en de Nederlandse rechter bij de uitleg van artikel 6 Rv de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie over (de uitleg van) die bepaling kan betrekken (MvT, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 102 – 103). De EEX-Verordening is (formeel) niet van toepassing omdat de verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een EEX-Staat.

Forum contractus
Volgens artikel 6, onderdeel a Rv is de Nederlandse rechter internationaal bevoegd in zaken betreffende verbintenissen uit overeenkomst, indien de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, in Nederland is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Ingevolge artikel 6a Rv geldt vervolgens dat, tenzij anders is overeengekomen, voor de koop en verkoop van roerende zaken de plaats van uitvoering in Nederland is gelegen indien de zaken volgens de overeenkomst in Nederland geleverd of geleverd hadden moeten worden.

Forum delicti
De vervangende schadevergoeding dient naar het oordeel van het hof, mede gelet op de uitleg die het Europese hof in het arrest van 6 oktober 1976, zk 14/76 (De Bloos/Bouyer), Jur. 1976, 1497, NJ 1977, 170, daaraan in het kader van artikel 5 sub 1 EEX-Vo heeft gegeven, beschouwd te worden als 'verbintenis uit overeenkomst' in de zin van artikel 6 onderdeel a Rv. Tot ‘verbintenissen uit overeenkomst’ worden namelijk niet alleen verplichtingen gerekend die rechtstreeks uit het contract voortvloeien, zoals de verplichting tot levering of betaling, maar ook de verplichtingen die in de plaats treden van de niet-nagekomen contractuele verplichtingen, zoals de verplichting tot schadevergoeding.

Met betrekking tot het onderscheid tussen de begrippen 'verbintenissen uit overeenkomst' en 'verbintenissen uit onrechtmatige daad' in artikel 5 punt 1 sub a en punt 3 EEX-Vo heeft het Europese hof zich op 13 maart 2014 in de zaak C-548/12 uitgelaten naar aanleiding van een aan het hof voorgelegde prejudiciële vraag.

Het onrechtmatig handelen dat appellant geïntimeerde verwijt - te weten het op onrechtmatige wijze beëindigen van een langdurige samenwerking - is een gedraging waarvan niet gezegd kan worden dat deze geen verband houdt met een verbintenis uit overeenkomst maar die, integendeel, redelijkerwijs kan worden gegrond op de rechten en plichten uit hoofde van de gestelde overeenkomst, zodat met die overeenkomst rekening moet worden gehouden om het geschil te beslechten. Het betreft derhalve een verbintenis uit overeenkomst in de zin van artikel 6 onderdeel a Rv en niet een verbintenis uit onrechtmatige daad in de zin van artikel 6 onderdeel e Rv.

Forum necessitatis
In het licht van de gemotiveerde betwisting door geïntimeerde heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de rechtsgang in Saoedi Arabië voor handelsgeschillen als de onderhavige niet voldoet aan de minimum eisen die aan een behoorlijk rechtsgang gesteld mogen worden en dat zij daarin als westerse onderneming achtergesteld zou worden bij Saoedische bedrijven.

Forum arresti
Het forum arresti maakt inbreuk op de hoofdregel van het forum rei. Om die reden moet artikel 767 Rv terughoudend worden toegepast. De ratio van de slotzin van het artikel is misbruik te voorkomen: te voorkomen dat bevoegdheid wordt gevestigd door een derdenbeslag dat geen doel treft omdat de derde aan de debiteur niets verschuldigd is of niets van de debiteur onder zich heeft.
LS&R 1051

Rechtbank onbevoegd door valutakeuze (dollar) van eiseres

Rechtbank Limburg 17 december 2014, LS&R 1051 (Stone Bridge Biomedical tegen T4 Analytics)
Uitspraak ingezonden door Nils Winthagen en Bertil van Kaam, Van Kaam advocaten. Procesrecht. Bevoegdheid. Stone Bridge onderzoekt en ontwikkelt biomedische apparatuur voor T4 Analytics (gevestigd in VS), waarvoor Stone Bridge (gevestigd in Nederland) betaling vordert. Nu van uitdrukkelijke rechtskeuze niet is gebleken, wordt de gestelde overeenkomst beheerst door het Nederlandse recht, omdat Stone Bridge op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst haar hoofdbestuur in Nederland had. Omdat tussen partijen vaststaat dat Stone Bridge de betaling van de facturen in dollars wenste te ontvangen op haar rekeningnummer bij de Amerikaanse bank, heeft te gelden dat de betalingsverbintenis in de VS uitgevoerd dient te worden. De rechtbank kan haar bevoegdheid daarom niet ontlenen aan art. 6 aanhef en sub a jo. art 6a aanhef en sub b Rv. De rechtbank is onbevoegd.

4.2. Daar T4 Analytics haar vestigingsplaats in Delaware (VS) heeft, is - zoals partijen terecht hebben gesteld - de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-verordening) niet van toepassing. Daar er tussen Nederland en de VS evenmin een andere internationale regeling geldt met betrekking tot de rechtsmacht, dient de bevoegdheid van de Nederlandse rechter te worden bepaald aan de hand van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

4.11. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde overeenkomst beheerst wordt door Nederlands recht. Hiertoe overweegt zij dat door T4 Analytics niet is betwist dat Stone Bridge haar hoofdbestuur - door Stone Bridge de “gewone verblijfplaats” genoemd - in Nederland heeft. T4 Analytics heeft weliswaar aangevoerd dat de gestelde diensten vanuit de VS verricht werden, zij heeft echter niets gesteld omtrent de plaats van waaruit aan de ondernemingsactiviteiten van Stone Bridge leiding wordt gegeven dan wel waar de bestuursbesluiten worden genomen. Voor de rechtbank staat derhalve als onvoldoende gemotiveerd betwist vast, dat Stone Bridge haar hoofdbestuur in Nederland heeft.

4.12. Het voorgaande brengt mee dat aan de hand van Nederlands recht beoordeeld dient te worden, waar de betalingsverbintenis uitgevoerd dient te worden. Artikel 6:115 BW bepaalt in dit verband dat de plaats waar de betaling moet geschieden, bepaald wordt door de artikelen 6:116-6:118 BW, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat op een andere plaats moet of mag worden betaald. Uit de parlementaire geschiedenis bij voornoemde artikelen blijkt dat in het handelsverkeer de gewoonte kan meebrengen dat de crediteur (eenzijdig) een bank in het land in welks valuta de verbintenis effectief moet worden betaald als plaats van betaling mag aanwijzen (Kamerstukken II 1975/76, 7729, nrs. 6/7, p. 120). Daar tussen partijen vaststaat dat Stone Bridge de betaling van de facturen in Dollars wenste te ontvangen op haar rekeningnummer bij de Amerikaanse bank, heeft te gelden dat de betalingsverbintenis in de VS uitgevoerd dient te worden.

4.13. In het licht van het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat de rechtbank haar bevoegdheid niet aan het bepaalde in de artikelen 6 aanhef en sub a juncto 6a aanhef en sub b Rv kan ontlenen. Daar de bevoegdheid evenmin uit een ander artikel voortvloeit, dient de incidentele vordering tot onbevoegd verklaring te worden toegewezen.
LS&R 1030

Kortingsbedragen zijn geen boeken, bescheiden of geschriften

Rechtbank Gelderland 15 oktober 2014, LS&R 1030 (Stichting Mens en Werk tegen Stichting Nijmeegs Interconfessioneel Ziekenhuis Canisius-Wilhemina)
Incidentele vordering tot openlegging van boeken bescheiden en geschriften (art. 162 Rv). Vordering afgewezen wegens gebrek aan belang (gegevens zouden nodig zijn om bedrag aan korting te berekenen, maar er wordt geen veroordeling tot betaling van die korting gevorderd). Bovendien niet onderbouwd dat de gevraagde informatie kan worden geschaard onder ''boeken, bescheiden en geschriften''.

6.2. Stichting Mens en Werk heeft de gelegenheid de conclusie van antwoord in reconventie ter comparitie te nemen. Stichting Mens en Werk moet een schriftelijke conclusie uiterlijk twee weken voor aanvang van de comparitie toezenden. Na de comparitie kan deze conclusie niet meer worden genomen.
6.5. In beginsel wordt ter comparitie aan de raadslieden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zullen echter niet worden toegestaan.

LS&R 973

Handhaving NVWA niet onmiskenbaar onrechtmatig

Rechtbank Den Haag 15 juli 2014, LS&R 972 (X tegen de Staat)
Kort geding. Niet onmiskenbaar onrechtmatig. De VEF, ExportNet en X zijn verenigingen en een onderneming die de belangen met betrekking tot de handel en het transport van vee over de weg behartigen en zich met dit transport bezig houden. De NVWA houdt toezicht op de naleving van de Verordening inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer. De staatssecretaris heeft sinds 2012 bestuurlijke boetes opgelegd wegens het niet naleven van regelingen in verbinding met de Verordening. Eiseressen vorderen de handhavingpraktijk van de Staat jegens eiseressen buiten werking te stellen. Zij hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat de Staat, meer in het bijzonder de NVWA, onrechtmatig jegens hen handelt. De voorzieningenrechter verklaart VEF en ExportNet in hun vordering niet-ontvankelijk en wijst de vordering van [X] af.

3.2 Tussen partijen staat vast dat het geschil over de uitleg van de Verordening en de daarop gebaseerde handhavingspraktijk van de NVWA moet worden beslecht door de bestuursrechter. In de bezwaar- en beroepsprocedure tegen de aan [X] opgelegde boetebeschikking van 28 maart 2014 kunnen alle door eiseressen aangevoerde bezwaren tegen het handhavingsbeleid van de NVWA worden beoordeeld. Hoofdregel is dat het bestaan van deze rechtsgang in beginsel in de weg staat aan de mogelijkheid om dezelfde vragen aan de burgerlijke rechter, ook die in kort geding, voor te leggen. Dit kan anders zijn indien die andere rechtsgang in de gegeven omstandigheden hoogst omslachtig of onnodig belastend is, dan wel niet op voldoende korte termijn, gelet ook op het spoedeisende belang dat bij de gewenste voorziening bestaat, voorhanden is. Eiseressen hebben met verwijzing naar een vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank (rechtbank Den Haag 5 februari 2014, ECLI:RBDHA:2014:1365) betoogd dat in de voor [X] openstaande rechtsgang, daaronder begrepen de mogelijkheid van een voorlopige voorziening, op korte termijn hooguit om schorsing van de boetebeschikking kan worden verzocht, hetgeen door de Staat ook niet is betwist. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan [X] daarom door de civiele rechter in haar vordering worden ontvangen, aangezien voor hetgeen zij wenst te bereiken – buitenwerkingstelling van de handhavingspraktijk van de NVWA – geen andere, met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat.

3.4 Aangezien – zoals hiervoor reeds is overwogen – het oordeel over de uitleg van de Verordening is voorbehouden aan de bestuursrechter, is voor ingrijpen van de civiele rechter slechts plaats indien het handhavingsbeleid van de NVWA onmiskenbaar onrechtmatig is. Dit kan het geval zijn indien boven iedere twijfel verheven is dat het handhavingsbeleid in strijd is met de Verordening.

3.9 Aan eiseressen moet worden toegegeven dat in de Verordening geen maximum is verbonden aan de duur van de rusttijd tijdens het vervoer. Daaruit volgt evenwel niet dat de door eiseressen voorgestane rusttijden van langer dan drie uur op grond van de Verordening zijn toegestaan. Uitgangspunt van artikel 3 van de Verordening is immers dat de duur van een transport tot het minimum moet worden beperkt en dat het vervoer zonder oponthoud tot de plaats van bestemming moet worden uitgevoerd. In Bijlage I, hoofdstuk V, bij de Verordening is bepaald dat de rusttijd tijdens het vervoer ten minste één uur moet duren. Daarnaast geeft diezelfde bijlage in datzelfde hoofdstuk de mogelijkheid de transporttijd – in het belang van de dieren – met twee uur te verlengen. Niet is gesteld of gebleken dat onder normale omstandigheden een tijdspanne van langer dan drie uur benodigd is voor het drenken, en zo nodig voederen, van de dieren. Indien eiseressen tijdens het vervoer rusttijden aanhouden van bijvoorbeeld acht à negen uur wordt daarmee de duur van het vervoer met die tijdspanne verlengd, hetgeen strijdig is met het uitgangspunt van de Verordening, daarin begrepen de in de Bijlage voorziene verlengingsmogelijkheid. Deze zienswijze wordt ondersteund door de in 1.7 en 1.8 vermelde brieven. Hoewel deze brieven niet de status hebben van een uitspraak van het Hof van Justitie van de EU, zijn zij ook zeker niet zonder betekenis. Zelfs indien met eiseressen moet worden aangenomen dat langere rusttijden juist wel in het belang van de dieren zijn, geldt dat de Verordening deze langere rusttijden thans niet toelaat en dat voorshands niet valt in te zien dat met het oog op het dierenwelzijn substantiële verlenging van de rusttijden tijdens het vervoer opwegen tegen verkorting van het vervoer met diezelfde periode. Of voor dit vervoer al dan niet gebruik wordt gemaakt van zogenoemde cattle cruisers acht de voorzieningenrechter hierbij niet relevant. Hoe goed uitgerust deze transportmiddelen ook mogen zijn, aangenomen moet worden dat runderen in een gewone stal beter af zijn dan in een mobiele stal, waarin zij volgens eiseressen wel naar believen kunnen eten en drinken, maar waarin zij – naar de Staat onweersproken heeft gesteld – niet kunnen liggen. De omstandigheid dat de NVWA bij de omschrijving van de in 1.14 vermelde beboetbare gedraging het woord ‘onnodig’ heeft gebruikt acht de voorzieningenrechter niet van belang. Toevoeging of weglating van dat woord doen niet af aan de gedraging, die eruit bestaat dat het vervoer van de runderen langer heeft geduurd dan in het belang van de dieren noodzakelijk was.

3.10 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet boven iedere twijfel is verheven dat de handhavingspraktijk van de NVWA is strijd is met de Verordening. Dit oordeel is voorbehouden aan de bestuursrechter en eiseressen dienen de uitkomst van de bestuursrechtelijke rechtsgang af te wachten. Indien eiseressen verdere boetes wensen te voorkomen, dienen zij zich vooralsnog te houden aan de instructies van de NVWA.