LS&R 2459
3 september 2026
Uitspraak

Raad van State stelt prejudiciële vragen over kwalificatie van voedingssupplementen als geneesmiddel naar aandiening

 
LS&R 2458
3 september 2026
Uitspraak

Contractuele vrijwaring verplicht teler tot vergoeding € 45 miljoen teruggevorderde GMO-subsidie’

 
LS&R 2457
3 september 2026
Uitspraak

LUMC mocht namen van onderzoekers in contracten met leveranciers van medische hulpmiddelen afschermen

 
LS&R 2429

Staat aansprakelijk voor schade apotheek door onrechtmatige tekortenbesluiten voor disulfiram

Rechtbank Den Haag 1 jul 2026,, LS&R 2429; ECLI:NL:RBDHA:2026:17970 ([eiseres] tegen de Staat), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/staat-aansprakelijk-voor-schade-apotheek-door-onrechtmatige-tekortenbesluiten-voor-disulfiram

Rb. Den Haag 1 juli 2026, LS&R 2429; ECLI:NL:RBDHA:2026:17970 ([eiseres] tegen de Staat). Een magistraal bereidende apotheek maakte vanaf maart 2018 op verzoek van Verslavingskunde Nederland en Zorginstituut Nederland geneesmiddelen met de werkzame stof disulfiram, vanwege een tekort aan geregistreerde disulfiramgeneesmiddelen. Met besluiten van 5 oktober 2018, 20 februari 2020, 11 mei 2020 en 10 augustus 2020 verleende de IGJ generieke toestemming om geneesmiddelen met disulfiram zonder Nederlandse handelsvergunning uit andere EU-lidstaten te betrekken. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde op 20 november 2024 dat artikel 3.17a van de Regeling Geneesmiddelenwet oud geen geldige grondslag bood voor zulke generieke toestemmingen en vernietigde of herroepte de tekortenbesluiten. In de civiele procedure stond daarom vast dat deze besluiten ook tegenover de apotheek onrechtmatig waren. De apotheek stelde dat de invoer van buitenlandse geneesmiddelen ertoe leidde dat zij minder zelfbereide disulfiram verstrekte en haar investeringen niet kon terugverdienen. De gevorderde verklaring voor recht wordt wegens gebrek aan belang afgewezen, omdat de onrechtmatigheid tussen partijen niet meer ter discussie stond.

LS&R 2425

Prejudiciële vragen aan HvJ EU over openbaarmaking persoonsgegevens bij overtreding van antidopingregels

Hof van Justitie EU 14 jul 2026,, LS&R 2425; ECLI:EU:C:2026:579 (AR e.a. tegen Österreichische Datenschutzbehörde e.a.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/prejudiciele-vragen-aan-hvj-eu-over-openbaarmaking-persoonsgegevens-bij-overtreding-van-antidopingregels

HvJ EU 14 juli 2026, LS&R 2425; IT 5399; ECLI:EU:C:2026:579 (AR e.a. tegen Österreichische Datenschutzbehörde e.a.). In deze zaak worden zeven prejudiciële vragen gesteld omtrent de openbaarmaking van persoonsgegevens van sporters die de antidopingregels hebben overtreden. AR, YT, DI en RN zijn vier sporters aan wie wegens overtreding van de Oostenrijkse antidopingregels een tijdelijke dan wel levenslange uitsluiting van deelname aan wedstrijden is opgelegd. Op grond van de Oostenrijkse antidopingwetgeving moet NADA Austria op haar website een lijst publiceren met onder meer de voor- en achternaam van de betrokken sporter, de beoefende sport, de begane overtreding, de opgelegde sanctie en de begin- en einddatum daarvan. De ÖADR publiceert deze gegevens daarnaast via persberichten op haar website. In oktober 2021 verzoeken de sporters NADA Austria en de ÖADR om hun namen en de betreffende sporten van de websites te verwijderen. Nadat hieraan geen gehoor wordt gegeven, dienen zij een klacht in bij de Oostenrijkse toezichthouder wegens schending van het recht op gegevenswissing uit artikel 17 AVG. Zij stellen onder meer dat sprake is van bijzondere persoonsgegevens in de zin van artikel 9 AVG en van persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten in de zin van artikel 10 AVG. Ook achten zij het Oostenrijkse systeem van algemene openbaarmaking niet noodzakelijk en onevenredig. De Oostenrijkse toezichthouder verklaart de klachten van AR, DI en RN ongegrond. Volgens de toezichthouder is de publicatie noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting, zodat op grond van artikel 17, derde lid, onder b, AVG geen recht op gegevenswissing bestaat. De klacht van YT wordt afgewezen wegens gebrek aan procesbelang, omdat haar gegevens op dat moment nog niet waren gepubliceerd. De sporters stellen tegen deze beslissing beroep in bij het Bundesverwaltungsgericht. YT voert daarbij aan dat haar een uitsluiting van vier jaar is opgelegd en dat de publicatie van haar gegevens daarom ophanden is.

LS&R 2428

Rockmed heeft recht verwerkt om te klagen over vergelijkingsmethodiek in preferentieprocedure voor dexamethason-oogdruppels

Rechtbank Den Haag 15 jul 2026,, LS&R 2428; ECLI:NL:RBDHA:2026:20366 (Rockmed tegen Zilveren Kruis), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rockmed-heeft-recht-verwerkt-om-te-klagen-over-vergelijkingsmethodiek-in-preferentieprocedure-voor-dexamethason-oogdruppels

Rb. Den Haag 15 juli 2026, LS&R 2428; ECLI:NL:RBDHA:2026:20366 (Rockmed tegen Zilveren Kruis). Rockmed Pharma, handelsvergunninghouder van de dexamethason-oogdruppels Dexmono in een multidoseflacon van 6 ml, schreef in op de inkoopprocedure van Zilveren Kruis voor preferente geneesmiddelen voor 2027 en 2028. Binnen cluster SST 172 werden multidoseverpakkingen vergeleken met unitdoseverpakkingen. Nadat Zilveren Kruis het referentievolume had aangepast naar milliliters, wees Rockmed er bij haar inschrijving op dat een vergelijking op basis van de prijs per milliliter geen rekening houdt met het verlies van ongebruikte inhoud bij unitdoseverpakkingen. Zij stelde daarom een correctiefactor voor. Zilveren Kruis gunde het cluster voorlopig aan Théa Pharma, waarna Rockmed intrekking van de voorlopige gunning, staking van de inkoopprocedure en het organiseren van een nieuwe procedure met vooraf kenbare vergelijkingsfactoren vorderde. Zilveren Kruis is volgens de voorzieningenrechter geen aanbestedende dienst. De aanbestedingsregels en aanbestedingsrechtelijke beginselen waren bovendien uitdrukkelijk uitgesloten, zodat de precontractuele verhouding werd beheerst door de precontractuele goede trouw en de redelijkheid en billijkheid, mede ingevuld door de Leidraad en de Nota van Inlichtingen.

LS&R 2430

Processtelling van MSD is geen afdwingbare toezegging om marktintroductie van Keytruda SC uit te stellen

3 jul 2026,, LS&R 2430; ECLI:NL:RBDHA:2026:18266 (Halozyme tegen MSD), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/processtelling-van-msd-is-geen-afdwingbare-toezegging-om-marktintroductie-van-keytruda-sc-uit-te-stellen

Rb. Den Haag 3 juli 2026, IEF 23691; ECLI:NL:RBDHA:2026:18266 (Halozyme tegen MSD). Halozyme is houdster van Europees octrooi EP 2 792 622 B1 voor gemodificeerde PH20-hyaluronidasepolypeptiden en voert met MSD een VRO-procedure over de vraag of Keytruda SC, een subcutane formulering van het kankergeneesmiddel Keytruda met het enzym ALT-B4, inbreuk maakt op dat octrooi. In haar conclusie van antwoord in reconventie had MSD onder meer betoogd dat geen concrete dreiging bestond dat zij Keytruda SC buiten Nederland op de Europese markt zou brengen. Nadat Zweedse en Deense vennootschappen van de MSD-groep Keytruda SC met gebruikmaking van de centrale Europese marktvergunning van MSD in de betreffende geneesmiddelen- en prijzendatabases hadden laten opnemen en op de markt hadden gebracht, vorderde Halozyme in kort geding verwijdering van die vermeldingen en een tijdelijk verbod op het vervaardigen, aanbieden en verhandelen van Keytruda SC in verschillende Europese landen gedurende de VRO-procedure. Volgens Halozyme had MSD met haar processtelling toegezegd, althans de gerechtvaardigde schijn gewekt, dat de MSD-groep de marktintroductie zou uitstellen. De voorzieningenrechter acht zich op grond van artikel 4 Brussel I-bis internationaal bevoegd en neemt een spoedeisend belang aan vanwege het gestelde risico op verlies van marktaandeel zolang Keytruda SC in Denemarken en Zweden beschikbaar is.

LS&R 2427

Ctgb mocht toelating SmartFresh InBox en verlenging EthylBloc Sachet weigeren wegens toepassingsbeperking voor 1-MCP

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 7 jul 2026,, LS&R 2427; ECLI:NL:CBB:2026:312 (AgroFresh tegen Ctgb), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/ctgb-mocht-toelating-smartfresh-inbox-en-verlenging-ethylbloc-sachet-weigeren-wegens-toepassingsbeperking-voor-1-mcp

CBb 7 juli 2026, LS&R 2427; ECLI:NL:CBB:2026:312 (AgroFresh tegen Ctgb). AgroFresh vroeg het Ctgb om een eerste toelating voor SmartFresh InBox en om verlenging van de toelating van EthylBloc Sachet. De middelen zijn identiek, bevatten de werkzame stof 1-methylcyclopropeen (1-MCP) en zijn verpakt in zakjes die samen met fruit of siergewassen in transportdozen worden geplaatst voor behandeling na de oogst. Het Ctgb wees de aanvragen aanvankelijk af omdat onvoldoende gegevens beschikbaar waren over de dermale blootstelling van werknemers en over inhalatietoxiciteit. Bij het besluit op bezwaar stelde het Ctgb zich op het standpunt dat de aanvragen alleen al vanwege de onvoldoende informatie over dermale blootstelling terecht waren afgewezen. Ten tijde van dat besluit bepaalde Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1085 echter ook dat uitsluitend het gebruik van 1-MCP als groeiregulator voor opslag na de oogst in een afgesloten entrepot mocht worden toegestaan. Uitvoeringsverordening (EU) 2025/881, waarbij deze beperking later werd opgeheven, trad pas na het bestreden besluit van 24 januari 2024 in werking en kon daarom niet aan de beoordeling van de rechtmatigheid van dat besluit ten grondslag worden gelegd.

LS&R 2426

Ziekenhuis mocht samenwerking met onderzoeksvennootschap beëindigen vanwege centraal financieringsbeleid

Rechtbank Den Haag 16 jul 2026,, LS&R 2426; ECLI:NL:RBDHA:2026:19626 (Cardio Research c.s. tegen RdG), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/ziekenhuis-mocht-samenwerking-met-onderzoeksvennootschap-beeindigen-vanwege-centraal-financieringsbeleid

Rb. Den Haag 16 juli 2026, LS&R 2426; ECLI:NL:RBDHA:2026:19626 (Cardio Research c.s. tegen RdG). Cardio Research Delft B.V., opgericht door cardiologen van het Reinier de Graaf Gasthuis, verrichtte met gebruikmaking van personeel, onderzoeksruimten en andere faciliteiten van het ziekenhuis cardiovasculair geneesmiddelenonderzoek. De onderzoeksvergoedingen werden via de Werkgroep Cardiologische centra Nederland rechtstreeks aan Cardio Research betaald. Naar aanleiding van zorgen over de transparantie van financiële relaties tussen zorgprofessionals en de farmaceutische en medische-hulpmiddelenindustrie stelde het ziekenhuis in 2025 een Beleidslijn Wetenschap vast. Daarin is bepaald dat het ziekenhuis voortaan als centrale kassier voor al het wetenschappelijk onderzoek optreedt, zodat het volledig zicht houdt op inkomsten, uitgaven en verplichtingen en mogelijke oneigenlijke financiële prikkels kan beperken. De bestaande financieringswijze van Cardio Research paste niet binnen deze beleidslijn. Nadat partijen geen overeenstemming bereikten over de overgang naar de nieuwe werkwijze, zegde het ziekenhuis op 3 april 2026 de door Cardio Research gestelde duurovereenkomst op. Cardio Research en twee cardiologen vorderden primair voortzetting van de samenwerking gedurende 24 maanden en overleg over de transitie onder begeleiding van een procesbegeleider of mediator. Subsidiair verlangden zij uitvoering van hun voorstel van 8 april 2026.

LS&R 2424

Geen btw-voordeel voor zonnebrandproducten zonder geneesmiddelenvergunning

Rechtbank Noord-Holland 25 mrt 2026,, LS&R 2424; ECLI:NL:RBNHO:2026:3615 ([eiseres] tegen de inspecteur van de Belastingdienst), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-btw-voordeel-voor-zonnebrandproducten-zonder-geneesmiddelenvergunning

Rb. Noord-Holland 25 maart 2026, LS&R 2424; ECLI:NL:RBNHO:2026:3615 ([eiseres] tegen de inspecteur van de Belastingdienst). In deze zaak tussen [eiseres] en de inspecteur van de Belastingdienst staat de vraag centraal of op de levering van zonnebrandproducten het verlaagde btw-tarief voor geneesmiddelen van toepassing is. [eiseres] heeft over deze producten 21% btw voldaan, maar stelt dat zij als geneesmiddelen moeten worden aangemerkt en verzoekt om een aanvullende teruggaaf van € 122.395. Tussen partijen is niet in geschil dat de zonnebrandproducten volgens een arrest van de Hoge Raad uit 2016 op zichzelf als geneesmiddelen kunnen worden beschouwd. Sinds 1 januari 2018 geldt voor toepassing van het verlaagde tarief echter ook de eis dat voor het product een handelsvergunning op grond van de Geneesmiddelenwet is verleend, tenzij een wettelijke uitzondering geldt. Vaststaat dat [eiseres] niet over zo’n vergunning beschikt.

LS&R 2422

CBb laat toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen met cypermethrin, abamectine en esfenvaleraat in stand

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 7 jul 2026,, LS&R 2422; ECLI:NL:CBB:2026:315 (De milieuorganisaties tegen het Ctgb en de Staat), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/cbb-laat-toelatingen-van-gewasbeschermingsmiddelen-met-cypermethrin-abamectine-en-esfenvaleraat-in-stand

CBb 7 juli 2026, LS&R 2422; ECLI:NL:CBB:2026:315 (De milieuorganisaties tegen het Ctgb en de Staat). In deze zaak tussen PAN Netherlands en de Natuur- en Milieufederatie Zuid-Holland enerzijds en het Ctgb anderzijds staat de vraag centraal of toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen met cypermethrin, abamectine en esfenvaleraat moesten worden ingetrokken. De milieuorganisaties wezen op overschrijdingen van toelatingsnormen voor waterorganismen en normen uit de Kaderrichtlijn Water in Nederlandse oppervlaktewateren.

LS&R 2421

Ziekenhuis aansprakelijk voor gebrekkige nazorg na operatie

Rechtbank Rotterdam 20 mei 2026,, LS&R 2421; ECLI:NL:RBROT:2026:6715 ([eiseres] tegen [ziekenhuis X]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/ziekenhuis-aansprakelijk-voor-gebrekkige-nazorg-na-operatie

Rb. Rotterdam 20 mei 2026, LS&R 2421; ECLI:NL:RBROT:2026:6715 ([eiseres] tegen [ziekenhuis X]). In deze zaak tussen een patiënte en een ziekenhuis staat de nazorg na een laparoscopie centraal. Enkele dagen na de kijkoperatie werd bij de patiënte een darmperforatie en multipel orgaanfalen vastgesteld. De rechtbank had eerder een gynaecoloog als deskundige benoemd om te beoordelen of bij de operatie en de nazorg volgens de professionele standaard was gehandeld. Volgens de deskundige is de operatie zelf volgens de professionele standaard uitgevoerd. Ook was het gebruikelijk dat de patiënte dezelfde dag werd ontslagen. De nazorg schoot echter tekort. De familie nam meerdere keren contact op met het ziekenhuis en meldde onder meer toenemende buikpijn, braken en het niet meer kunnen binnenhouden van vocht. Vanaf het tweede telefoongesprek hadden deze klachten volgens de deskundige aanleiding moeten zijn om de patiënte direct terug te laten komen. Door het ontbreken van continuïteit en centrale regie werden de signalen niet tijdig herkend.

LS&R 2423

Geen smaad of laster door uitlatingen in medische klachtprocedure

Rechtbank Noord-Nederland 10 jun 2026,, LS&R 2423; ECLI:NL:RBNHO:2026:6616 ([eisers] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-smaad-of-laster-door-uitlatingen-in-medische-klachtprocedure

Rb. Noord-Holland 10 juni 2026, LS&R 2423; ECLI:NL:RBNHO:2026:6616 ([eisers] tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen ex-echtgenoten [gedaagde] staat de vraag centraal of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door in een medische tuchtprocedure en een interne klachtenprocedure beschuldigingen te uiten over het toedienen van methylfenidaat aan een van haar minderjarige kinderen. [gedaagde] beschuldigt [eiser 1] sinds oktober 2024 ervan dat hij hun zoon zonder medisch voorschrift methylfenidaat heeft toegediend. Zij heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie. Naar aanleiding daarvan is een strafrechtelijk onderzoek gestart, waarin [eiser 1] als verdachte wordt aangemerkt. De strafzaak is nog in behandeling. Op verzoek van [eiser 1] hebben twee kinderartsen een medisch contra-expertiserapport opgesteld over de beschuldiging dat de zoon stelselmatig met methylfenidaat zou zijn geïntoxiceerd. [gedaagde] heeft vervolgens een tuchtklacht ingediend tegen de artsen die het rapport hebben opgesteld. Zij zijn directe collega’s van [eiser 2], die zelf kinderarts is. Na telefonisch contact met het tuchtcollege is de klacht mede aangemerkt als een klacht tegen [eiser 2]. [gedaagde] heeft daarnaast een klacht ingediend bij het ziekenhuis waar [eiser 2] werkzaam is. [eisers] vorderen in kort geding dat het [gedaagde] wordt verboden om hen ervan te beschuldigen dat zij de zoon hebben gedrogeerd of mishandeld, hem methylfenidaat hebben toegediend of betrokken zijn geweest bij dergelijk handelen. Ook verlangen zij dat [gedaagde] het tuchtcollege bericht dat verschillende passages uit haar klachtbrief onjuist zijn. Volgens [eisers] maken de uitlatingen inbreuk op hun eer en goede naam en is sprake van smaad, laster of anderszins onrechtmatig handelen.