Strikte definitie immateriële vaste activa niet onredelijk
CBb 11 november 2015, LS&R 1217; ECLI:NL:CBB:2015:374 (Stichting VieCuri Medisch Centrum tegen NZa)
Beleidsregel overgangsregimes kapitaallastenvergoedingen. Met ingang van 2012 moeten ziekenhuizen zelf het risico voor de dekking van kapitaallasten dragen. Als overgangsregeling is toen de Beleidsregel overgangsregimes kapitaallastenvergoedingen ingesteld. Op grond hiervan wordt o.a. de afschrijving van immateriële vaste activa vergoed. Appellante is het niet eens met de gehanteerde definitie van immateriële vaste activa, maar het College acht deze strikte definitie niet onredelijk. Daarnaast doet appellante een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Dit wordt afgewezen nu het College oordeelt dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerster de beleidsregel bij genoemde ziekenhuizen verkeer heeft toegepast. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
3.3. Het College heeft in zijn uitspraak van 6 mei 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:182) de keuze van verweerster om in onderdeel 3.1, onder a, van de Beleidsregel Compensatie IVA 2010 een strikte definitie van het begrip immateriële vaste activa op te nemen waarbij wordt verwezen naar de classificatie van deze activa in de jaarrekening 2008 of eerdere jaarrekeningen van een instelling niet onredelijk geacht. In die uitspraak heeft het College eveneens overwogen dat verweerster zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de post voor plankosten van vergunningplichtige projecten van vóór 2009 niet valt onder onderdeel 3.1, onder a of b, van deze beleidsregel. Voor de overwegingen daarover verwijst het College naar zijn uitspraak van 6 mei 2014.
Voor zover appellante aanvoert dat verweerster in beide beleidsregels niet is uitgegaan van dezelfde definitie van het begrip immateriële vaste activa overweegt het College als volgt. Op grond van de Beleidsregel Overgangsregime kapitaallastenvergoeding en de Beleidsregel Compensatie IVA 2010 komen immateriële vaste activa onder voorwaarden voor versnelde afschrijving in aanmerking. Een deel van deze immateriële vaste activa wordt toegerekend aan het A-segment en een deel wordt toegerekend aan het B-segment. Het gaat in beide beleidsregels echter om dezelfde immateriële vaste activa. De omstandigheid dat verweerster in 2009 het bedrag dat ziekenhuizen als immateriële vaste activa hadden aangevraagd, niet of minder intensief heeft getoetst, laat onverlet dat het in beide beleidsregels en in de jaren 2009, 2010 en 2011 steeds om dezelfde definitie gaat. De argumenten die appellante aanvoert werpen hierop geen ander licht.Ten aanzien van de kosten van de interim-OK's overweegt het College dat tussen partijen niet (meer) in geschil is dat appellante geen WTZi-vergunning voor de interim-OK's heeft en dat appellante de kosten van de interim-OK's niet ten laste van de trekkingsruimte heeft gebracht. Daarmee voldoen deze kosten niet aan de voorwaarden van onderdeel 3.1 onder b van de Beleidsregel Compensatie IVA 2010. Dat verweerster heeft toegestaan dat appellante in 2009 de aan het B segment toe te rekenen kapitaallasten van de interim-OK's versneld heeft mogen afschrijven conform de Beleidsregel Overgangsregime kapitaallastenvergoeding, maakt – gelet op de minder intensieve toetsing van verweerster in 2009 – niet dat verweerster deze kosten in 2010 voor versnelde afschrijving in aanmerking moet laten komen. Ook het argument van appellante dat verweerster in strijd handelt met het rechtzekerheidsbeginsel en het verbod van willekeur omdat de Beleidsregel Compensatie IVA 2010 is vastgesteld nadat appellante de kosten van de interim-OK's onder de financiële vaste activa in de jaarrekening heeft geboekt, kan niet slagen. Verweerster heeft voor plankosten die aan bepaalde voorwaarden voldoen een mogelijkheid voor versnelde afschrijving gecreëerd. Dat de plankosten van appellante niet aan die voorwaarden voldoen maakt niet dat verweerster daarmee in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel of het verbod van willekeur heeft gehandeld. De conclusie is dat verweerster op goede gronden heeft kunnen besluiten dat de kosten van de interim-OK's niet voor versnelde afschrijving in aanmerking komen.
Ten aanzien van de berekeningen op basis van de Beleidsregel Compensatie IVA 2010 overweegt het College als volgt. Verweerster heeft in het bestreden besluit alsnog een bedrag van € 3.868.153 toegekend op grond van deze beleidsregel. Deze berekening heeft verweerster gebaseerd op de immateriële vaste activa op de balans ultimo 2006 en daarbij immateriële activa die betrekking hebben op goodwill en licenties en immateriële vaste activa die onbetwist niet bij de uitvoering van de beleidsregels worden betrokken buiten beschouwing gelaten. Nu de kosten voor de interim-OK's niet voor versnelde afschrijving in aanmerking komen, ziet het College geen aanleiding voor een verdere toekenning op grond van de Beleidsregel Compensatie IVA 2010.
Ten aanzien van de Beleidsregel Overgangsregime kapitaallastenvergoeding overweegt het College als volgt. Appellante heeft terecht aangevoerd dat verweerster in het bestreden beluit niet is ingegaan op haar bezwaar tegen de afwijzing van haar verzoek op grond van deze beleidsregel. Tevens heeft zij terecht opgemerkt dat haar verzoek om neutralisatie betrekking heeft op regel 1612 van het nacalculatieformulier en niet op regel 1613 van dit formulier. Naar later is gebleken heeft verweerster echter alsnog een bedrag van € 1.335.651 toegekend op grond van de Beleidsregel Overgangsregime kapitaallastenvergoeding. Verweerster heeft de berekening van dit bedrag gebaseerd op dezelfde immateriële vaste activa als de berekening voor de versnelde afschrijving op grond de Beleidsregel Compensatie IVA 2010, zodat het College ook hier geen grond voor verdere toekenning ziet.4.3. Het College overweegt dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerster de beleidsregels bij de door appellante genoemde ziekenhuizen niet juist heeft toegepast. Verder heeft appellante niet onderbouwd dat de toezegging aan het Erasmus MC te maken heeft met de hier aan de orde zijnde IVA-problematiek, zodat er geen sprake is van een gelijk geval. Daarom heeft het College geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan 8:45, eerste en tweede lid, Awb, nu niet aannemelijk is geworden dat in gelijke gevallen anders is gehandeld dan in het geval van appellante. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.
Gerechtvaardigd vertrouwen. Stichting Amstelring heeft kosten moeten maken voor de huur van interim-huisvesting tijdens de verbouwing van twee woonzorgcentra. Hierop volgde een brief van de minister van VWS waarin financiële ondersteuning werd aangeboden. Centrale vraag in het geschil is of vertrouwen opgewekt door de minister moet worden gehonoreerd door de NZa. Het College beantwoord deze vraag bevestigend. De minister heeft de betrokken instellingen immers doelbewust bewogen tot het maken van keuzes. Het beroep wordt gegrond verklaard.
Hoofdstuk 13 CAO Ziekenhuiswezen. Artikel 96 Rv. Partijen twisten over de vraag of [medeverzoekster] recht heeft op de Activeringsregeling uit Hoofdstuk 13 CAO Ziekenhuiswezen en leggen dit geschil ex artikel 96 aan de kantonrechter voor. De kantonrechter oordeelt dat geen aanspraak kan maken op de Activeringsregeling, nu de zinsnede "die niet aan zijn schuld of toedoen te wijten is” niet zo breed moet worden uitgelegd.
YouMedical ontwikkelt, produceert en verkoopt farmaceutische producten die zonder recept verkrijgbaar zijn, zoals"Footner". De Fagron-group richt zich op de productie en verkoop van grondstoffen en halffabricaten. YouMedical heeft een distributieovereenkomst gesloten met Fagron. YouMedical heeft Fagron gedagvaard voor onder meer schadevergoeding wegens het niet voldoen van minimumafnameverplichtingen. De rechtbank oordeelt dat niet is gebleken uit e-mailverkeer dat YouMedical Fagron heeft gewezen op jaarlijkse minimumafnameverplichtingen maar slechts vroeg om een raming van de bestelling van het aantal Footner-producten. Partijen wisten al eerder dat het voor Fagron een probleem was om hieraan te voldoen. Er werd niet gesproken over schadevergoeding. YouMedical heeft met haar handelswijze het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij geen belang hechtte aan een strikte naleving van de overeenkomst. Dan is het onaanvaarbaar dat zij nog schadevergoeding zou krijgen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. De vordering in revoncentie wordt afgewezen. Het is onvoldoende onderbouwd dat de minimale houdbaarheidsdatum zou zijn overschreden.
Geneeskundige behandelingsovereenkomst. Eiseres is getroffen door een hersenbloeding waarvan zij ernstige medische beperkingen ondervindt waarna opname in een verpleeghuis heeft plaatsgevonden. Eiseres heeft een euthanasieverzoek gedaan. Dit verzoek mag niet worden uitgevoerd in de verpleeginstelling. Om die reden wil de verpleeginstelling de zorgovereenkomst beëindigen. Rechtbank bepaalt dat gedaagde moet meewerken aan de beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst dan wel zorgleveringsovereenkomst die is gesloten tussen eiseres en gedaagde.
Merkenrecht. Bihol en Qualiphar zijn ondernemingen die zich bezighouden met de ontwikkeling, productie en verkoop van voorschriftvrije geneesmiddelen en gezondheidsmiddelen. Bihol heeft aan haar vorderingen bij de rechtbank ten grondslag gelegd dat Qualiphar in strijd met de overeenkomst producten met de merken BIOROPA en OSTRIN buiten de Benelux heeft aangeboden en de merken in Frankrijk, Turkijke en Cyprus heeft laten registreren. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Hiertegen is Bihol zonder succes in beroep gekomen. Het hof oordeelt dat Qualiphar niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de wederverkoop van haar contractproducten door haar afnemers buiten de Benelux en dus ook niet voor de verkoop van haar contractproducten door haar afnemers op het internet. Daarnaast zijn Qualiphar en Gifrer afzonderlijke vennootschappen en kan niet worden aangetoond dat Gifrer contractproducten van Qualiphar verkoopt of dat Qualiphar producten op haar website verkoopt. De grieven falen.
Hoger beroep. Advocaat is uit hoofde van functie bevoegd namens het letselschadeslachtoffer rechtshandelingen aan te gaan. Door aanvaarding advocaat van het aanbod van het ziekenhuis is een vaststelling tot stand gekomen. Dat het slachtoffer ondertekening weigert, laat onverlet dat er een geldige overeenkomst is. Het slachtoffer beroept zich terecht op rechtsverwerking. Het ziekenhuis heeft gelet op zijn verklaringen gedurende een periode van vier jaren na het sluiten van de overeenkomst en het in aansluiting daarop handelen in overeenstemming met deze verklaringen - door het betalen van een eenzijdig, vastgesteld bedrag, lager dan overeengekomen bedrag - bij het slachtoffer het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat ook het ziekenhuis zich niet meer gebonden achtte aan de vaststellingsovereenkomst. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank, spreekt gevorderde verklaring voor recht uit en verwijst de zaak ter vaststelling van de schade naar de schadestaat.
Lezing over Robots en Recht: Heb je affiniteit met informatierecht en ben je student of Young Professional op het terrein van informatietechnologie en recht? Kom dan naar de lezing over Robots en Recht! Erik Vollebregt en Rob van den Hoven van Genderen zullen o.a. spreken over robotics, healthcare, privacy en rechtspersoonlijkheid van autonome robots. Aansluitend zal een netwerk borrel plaatsvinden. Deze lezing wordt georganiseerd door NVvIR Jong, de jongerencommissie van de Nederlandse Vereniging voor Informatietechnologie en Recht.